IPB

Welcome Guest ( Log In | Register )

31 Pages V  « < 29 30 31  
Reply to this topicStart new topic
> Emion - The last light, Fiction by Mikaz
Mikaz
post May 1 2010, 11:24 AM
Post #451


2nd class Demon
**

Group: Advanced members
Posts: 1,329
Joined: 5-August 07
From: Emion ~__~
Member No.: 4,155



Bedankt voor de reacties allemaal en leuk dat jullie nog lezen smile.gif
En dan nu een nieuw hoofdstuk. Ditmaal inclusief extreme vertraging vanwege de RSI pols. Bluh ~__~
~ Enjoy! ~


Emion - The last light II
Hoofdstuk 37 - Twee mensen in de as


Een kille winterwind waaide door Julians donkerbruine haren die inmiddels steeds meer van hun donkere gloed begonnen te verliezen. De ijzige kou deed een rilling over zijn rug lopen terwijl hij over het voetpad liep op weg naar zijn bestemming die een heel stuk verderop lag en tevens een stuk hoger in de Darkaise metropool. Nadat de sneeuw verdwenen was en de vreemde Neorasa student eveneens, leek het alsof het leven in Darkai herboren werd. Met het spoorloos verdwijnen van de student, verdween niet veel later de sneeuw en kwam het openbaar vervoer na talloze uren platliggen eindelijk weer in gang. Het geluid was weer aangezwollen, de onnatuurlijke stilte weggevaagd, al bleef het leven in de Darkaise ondersteden nog altijd even eng en gevaarlijk.
De ronddwarrelende bladeren in het wijde scala aan roodgele kleuren waren geheel uit het straatbeeld verdwenen en inmiddels was het winter geworden in de metropool. Geen winter zoals toen, met sneeuw en ijs. Doorgaans werd het in de ondersteden niet zo koud omdat de apparatuur, en de stroom die deze verbruikte, de gebieden wel warm hield. Nee, dit was een winter zoals men die in de rest van de wereld ook zou kennen. Een winter met grauwbewolkte dagen waarop de zon niet tot nauwelijks door het wolkendek kwam. Dat waren de dagen dat het nog relatief warm was. Er waren ook koude dagen, waarop de zon scheen in de bovensteden. Niet dat Julian die ooit zou zien op de plek waar hij leefde. Daar wist hij alleen dat de zon scheen doordat op die dagen de temperatuur tot ver onder het vriespunt daalde en hij meer dan eens de metalen deur van zijn huis met lauw water moest ontdooien voordat hij naar zijn werk vertrok. Irritant vond hij dat, maar bij het zien van de grijns over het gezicht van zijn jongere zusje, die er blijkbaar wel plezier in schiep dat hij zich zo kon ergeren aan zulke simpele dingen, was hij zijn ergernis op slag vergeten en ging hij weer met een glimlach aan het werk.

In de winter waren er dingen veranderd. De ontmoeting met de zwartharige student uit Neorasa zat nog steeds in zijn gedachten. Zijn relatie met Lucy, wat die dan ook mocht zijn, maar waar het meisje nooit een woord over gesproken had. Toch bleef ze volhouden dat hij een krachtveld had, maar geen kwaadaardige bedoelingen. Julian geloofde haar maar. Wat kon hij anders doen? Bovendien had de jongen gelijk gehad. Als hij hen iets had willen aandoen, had hij daar meer dan genoeg kansen voor gehad. Blijkbaar had hij die kansen niet genomen, dus moest hij weinig slechts met het lichtheersende tweetal voorhebben. Misschien was het slechts zijn uiterlijk dat Julian deed schrikken, die griezelige blik in zijn ogen die wel meer van die psychische elementenheersers schenen te hebben. Echt kwaadaardig leek hij niet te zijn.
Er waren meer dingen veranderd. De Darkaise jongeren die hem eerder hadden aangevallen, getreiterd en vernederd tijdens het uitvoeren van zijn baan, had hij na die laatste aanvaring niet weer gezien. Sektegenoten was hij nog wel tegengekomen later, maar ook die liepen met een boog om hem heen, mompelend dat ze de duistere heerser waren tegengekomen of dat hij connecties had met een demon. Wat het precies betekende, wist Julian niet. Het gaf hem een vreemd gevoel dat hij de student destijds had moeten achterlaten. Ergens in zijn achterhoofd school er nog altijd een wantrouwen ten opzichte van het jonge ventje en vroeg hij zich af of die jongen er misschien voor had gezorgd dat de Darkaise bewoners hem sindsdien met rust hadden gelaten. Hij had tenslotte nogal wat gelijkenissen gehad met de Dame in de ruiten van de kerk, toen ze daar zo hadden gestaan. Had hij die uiterlijke gelijkenissen misbruikt om de jongeren angst aan te jagen, of was er misschien iets anders gebeurd, iets ernstigers?

In Darkai ging het leven inmiddels zijn gang weer, al waren de bewoners die besneeuwde dag nooit vergeten. Zoals het een stel wetenschappers betaamde, werd er nog altijd onderzoek gedaan naar het voorval, al zou de ware reden van de verandering in het weer waarschijnlijk nooit worden gevonden. Zo ging het immers altijd wanneer de overheid experimenteerde met de wereldenergie. Want dat vermoedde Julian dat het was, een verandering in de energie. De drie Darkaise steden schenen zich immers al langer bezig te houden met plannen om zelf energie te produceren en de macht van Enirgon daarmee omver te werpen. Alles om zichzelf te verrijken, om zichzelf machtiger te maken.

Hij hief zijn hoofd op. De lucht, voor zover hij die tussen de zwarte panelen door kon zien, was grauwbewolkt vandaag. Een typische Darkaise winterdag, maar niet echt koud, of in ieder geval niet zo koud als het voorheen was geweest. Hij trok zijn dunne jas nog eens stevig dicht. Een zomerjas oorspronkelijk, want met het karige loon dat hij ontving voor zijn krantenwijk had hij zich het niet kunnen veroorloven een winterjas te kopen. Het was nog een geluk bij een ongeluk dat Lucy meestal binnen bleef. Zo had hij voor haar geen nieuwe kleding hoeven te kopen, want hij vermoedde dat het toch wel weer tegen de zomer zou lopen voordat ze uit Darkai konden vertrekken richting de volgende stad, op weg naar hun volgende avontuur.
Een tram denderde langs hem heen. De wind die het passerende voertuig met zich meebracht deed hem even wankelen op zijn benen. Hij zuchtte. Hij was mager geworden in al die maanden dat hij hier zat en van zijn krachten was, door het gebrek aan zonlicht, ook niet veel overgebleven. Terwijl hij zo liep en door de spiegelende ruiten van de passerende tram zo hard geconfronteerd werd met zijn eigen magere verschijning, begon hij zich dingen af te vragen. Was hij eigenlijk wel zo krachtig als hij beweerde dat hij was? Was hij wel in staat Lucy te beschermen, of was het kleine meisje uiteindelijk toch op haarzelf aangewezen? Hij dacht aan de woorden van de student. Sato heette hij, toch? Zelfs over zijn naam was hij niet meer zeker. De besneeuwde winterdag had zich in zijn hoofd genesteld alsof of het allemaal niet echt was, maar slecht een vreemde droom waaruit hij op een dag ontwaakt was, om vervolgens zijn Darkaise bestaan weer op te pakken zoals hij dat alle voorgaande dagen gedaan had. Alleen de veranderingen waren echt geweest. De jongeren die hem niet langer lastigvielen. En dat was voor hem dan ook de enige reden geweest om te concluderen dat de ontmoeting toch echt moest zijn geweest.


Vandaag was de kortste dag van het jaar, waarop het feest van het licht werd gevierd. Een bijzondere gebeurtenis, zelfs in Darkai, al had Julian van oorsprong het feest nooit gevierd. Dat kenden ze immers helemaal niet in het niet-gelovige Luxran. Inmiddels had hij zich, op aanraden van de student, wat verdiept in de Darkaise cultuur. Oorspronkelijk zodat hij niet teveel zou opvallen binnen het duistere genootschap, maar uiteindelijk had hij het verhaal wel interessant gevonden. Het feest van het licht was de dag waarop men herdacht wat er vijfduizend jaar geleden met de wereld was gebeurd: de eerste apocalyps. Waarom men dat zo noemde, was hem een compleet raadsel. Waren er dan fanatiekelingen die geloofden dat er een tweede apocalyps zou volgen? Alleen het idee deed hem al een huivering over zijn rug lopen, maar die fanatieke sektes had hij eigenlijk altijd al eng gevonden.
Het feest van het licht was een soort herdenking. Een terugdenken aan alle mensen die destijds gestorven waren, al wist niemand meer hoeveel het er waren en kende niemand hun namen. Tegelijkertijd was het een wijze les die men leerde uit het verleden. Dat elementenheersers nooit meer op eenzelfde wijze gediscrimineerd zouden worden als de Dame dat werd, al wist Julian diep in zijn hart dat die dingen nog steeds gebeurden. Waarom zaten ze anders zo wanhopig achter zijn zusje aan? Omdat ze bijzonder was, anders dan de rest van de mensen? Maar dat betekende dat zij net zo goed gediscrimineerd werd, ook al werd het dan getolereerd door de overheid.
Behalve sombere gedachten, was de dag van het feest van het licht ook een dag van blijdschap en dankbaarheid. Een dag waarop de mensheid dankbaar was voor wat ze hadden. Voor hun eigen persoonlijkheid, hun krachten, hun rijkdom en hun vrienden. En dat laatste was de reden dat Julian juist op deze dag op pad was gegaan. Er was namelijk nog iemand die hij moest bedanken voor alles wat die persoon voor ze had gedaan: Henri. De vriendelijke Neorasa medewerker die hij heel wat maanden geleden was tegengekomen in Darkai. De man die het tweetal had beschermd tegen de kwaadaardige mensen, die had gezegd dat ze hun haar beter donker konden verven om niet al teveel uit de toon te vallen en de man die een woning voor ze had geregeld. Ook al was het leven in Darkai niet geweldig en was het pand waarin ze woonden niets meer dan een tochtige container waarvan de deur zo nu en dan vastvroor, toch was Julian de man dankbaar. Zonder hem was hij waarschijnlijk nooit zover gekomen.

Vreemd genoeg waren de twee elkaar niet meer tegengekomen na die laatste ontmoeting. Henri zei dat het beter was om uit de kroeg te blijven. Dat er wel eens Neorasa leden rondhingen in het gebouw die gevaarlijk waren, en dat hij zodoende beter in zijn woning kon blijven. Toch kon Julian het niet laten een uitzondering te maken voor deze ene dag. Bovendien, hoeveel gevaarlijke Neorasa leden zouden er op een dag zoals deze in Darkai zitten? Zouden die de feestdagen ook niet veel liever doorbrengen met elkaar, met hun familie, of sowieso op hun eigen geboortegrond?
Zelfs in Darkai hing op een dag zoals deze een gemoedelijkere sfeer. Vandaag was de bevolking niet zo stug en chagrijnig als gebruikelijk, maar waren ze eerder kalm. Mensen waren er nauwelijks aanwezig op de straten, of in ieder geval niet zoveel als anders. Alle bedrijven waren gesloten en de trams die voorbij denderden vervoerden enkel een paar eenzame mensen die op weg waren naar hun familie waar ze de nacht konden doorbrengen. Julian wist dat er een kans bestond dat Henri ook niet in de kroeg was vandaag, gezien dat immers zijn werkplek was, maar hij had opgevangen dat de man er eveneens woonde, dus hoopte hij maar op het beste.

Stug stapte hij door, de koude wind trotserend. Hoewel het al maanden geleden was, kon hij zich de weg nog precies herinneren. Knap, want met het vele zwartgeschilderde metaal in de middensteden van Darkai leek alles eigenlijk op elkaar. Hij had gelukkig een behoorlijk goed geheugen als het op dit soort dingen aankwam. Toch was niet alles hetzelfde.


Toen hij uiteindelijk aankwam bij de plek waar de kroeg stond, stokte zijn adem dan ook in zijn keel terwijl hij naar de as keek van een gebouw dat niet meer was. Henri's kroeg, bestond niet meer, en ineens begon hij te begrijpen waarom hij al zolang niets meer van de man gehoord had. Wie wist waar die nu uithing?
Voorzichtig naderde Julian de plek waar ooit een gezellige kroeg gestaan had. In zijn herinneringen zag hij het zwartgeschilderde pand nog voor zich. Van de buitenkant net zo ongezellig als ieder ander gebouw in de donkere metropool, maar wanneer men een blik naar binnen wierp zag men de huiselijke gezelligheid die de duistere elementenheersers niet kenden. Er was een houten bar met hoge houten krukken, een koffiezetapparaat en een muur die vol stond met flessen drank waarvan hij niet eens van het bestaan had geweten. Er waren stoelen, tafels, een oud bankstel en aan de muur zat een behangetje. Nu was er niets meer van het alles. Enkel het zwart, de duisternis. Zwartgeblakerd hout en verwrongen metaal dat de plek des onheils markeerde. Wat was hier in hemelsnaam gebeurd in de tijd dat hij niet geweest was?

Hij kneep zijn blauwe ogen samen tot dunne spleetjes en liet de arm waarin hij het zorgvuldig ingepakte cadeautje voor de man hield teleurgesteld zakken. Een windvlaag gleed langs zijn bleke gezicht en door zijn haar. De geur van verbranding, van as, drong tot hem door. De hele tent was afgebrand, of nog erger, vernietigd. Hij kon slechts speculeren wat er gebeurd was in al die tijd en dat deed hij, zelfs zonder zich ervan bewust te zijn, dan ook rijkelijk. Was Henri betrokken geraakt in een gevecht met de Darkaise jongeren die zijn tent in brand hadden gestoken als wraak? Of was het de Darkaise overheid, die eindelijk jacht was gaan maken op Neorasa? Als lid zijnde van de onderwereld moest de man, hoe vriendelijk hij dan ook leek, heel wat vijanden hebben. Vijanden die hem wilden doden, want dat deden ze in de onderwereld. Daar losten ze conflicten niet op met woorden, maar met geweld.

"Zo, dat is behoorlijk afgefikt" merkte een stem achter hem op. Hij schrok. Hij had niet verwacht dat er meer mensen waren en zeker niet dat er meer mensen aandacht schonken aan het afgebrande gebouw. Toen hij zich omdraaide zag hij een man zitten op een container even verderop. Julian herkende hem onmiddellijk: Neorasa's psychopaat!
Met angst in zijn ogen keek hij de man aan. Even verdacht hij de psychopaat ervan dit op zijn geweten te hebben, maar al snel verbande hij dat idee weer uit zijn gedachten. Neorasa's mensen vielen elkaar niet aan, dat zou dom zijn. Bovendien leek de man even verwonderd te zijn bij het zien van deze puinhoop als dat hij dat was, dus gaf hij het goede hoop dat de man er niets te maken mee had.
De pscyhopaat zat verveeld op een container, zijn lange jas openhangend met daaronder niets meer dan een simpel donkerkleurig T-shirt en een zwarte spijkerbroek. Zijn paarse haar zat verwaaid op zijn hoofd. Paars haar, zo'n ongebruikelijke kleur. Iedere keer wanneer hij de man zag, vroeg hij zich dan ook af of het echt was of dat de man zijn haar geverfd had. Maar gezien de rest van zijn slonzige uiterlijk, leek het Julian dat het zijn natuurlijke haarkleur moest zijn. Hij was niets meer dan een lompe, slonzige moordenaar met een psychopathisch tintje. Dat soort mensen gaven meestal niets om hun uiterlijke vertoning, laat staan dat ze ijdel genoeg waren om hun haar te verven.

"Wel, als we daar ons lichtheersertje niet hebben" grinnikte de man genoeglijk. Een lichte grijns verscheen over zijn gezicht, een krankzinnige. Maar om een niet te verklaren reden was Julian niet meer bang voor de man, of althans niet meer zo bang als voorheen. Had Henri niet gezegd dat hij en Lucy op de lijst van beschermde personen stonden?
"Julian, was het niet?" Hij krabde aan zijn hoofd en wreef geďrriteerd een pluk van zijn haar uit zijn gezicht. Zijn kille ogen richtten zich op Julian, op de grond, of op de puinzooi erachter. Het verbaasde Julian niets dat de man zijn naam nog wist. Sterker nog, hij wist wel dat de man waarschijnlijk zijn gedachten zou kunnen lezen.
"Julian, ja" antwoordde hij koeltjes, al deed hij zich stoerder voor dan hij zich voelde. Hij bemerkte hoe de man zijn hoofd ophief en hem verwonderd aanstaarde. "Heb jij enig idee wat hier gebeurd is?" vroeg hij tenslotte.
De man wierp hem een nieuwe verwonderde blik toe, maar kwam tenslotte overeind. Julian werd argwanend, activeerde zijn weinige krachtveld en strekte zijn rechterhand voor zijn lichaam uit, klaar om een aanval af te vuren. De man negeerde het, kwam van de container af en sprong naar beneden. Hij liep recht langs Julian heen, totdat hij ook voor de met politielint afgezette puinhoop stond.

Julian draaide met hem mee, nog altijd zijn hand voor zich uitgestrekt en klaar om aan te vallen wanneer het nodig was. Psycho keek met minachting naar hem op en grinnikte.
"Ach, jochie, houd je gemak" mompelde hij. "Laat een oude seniele man ook eens van zijn rust genieten op een feestdag."
"Oude seniele man?" herhaalde Julian. Voorzichtig liet hij zijn hand zakken. Wat bedoelde de man daarmee?
"Vanuit jullie visie, zou ik op mijn leeftijd al bejaard zijn" antwoordde de psychopaat alsof hij de gedachten van de jonge lichtheerser letterlijk had kunnen lezen. "Wanneer jij mijn leeftijd hebt bereikt, zit je kop waarschijnlijk al onder de rimpels." Hij grinnikte opnieuw, al was het Julian onduidelijk of het grappig was of eerder spottend.
"Hoe oud ben je dan?" vroeg Julian tenslotte voorzichtig. Hij liet zijn hand verder zakken, al hield hij zijn energieveld ingeschakeld waardoor zijn ogen een ietwat blauwige gloed bleven houden.
Weer keek de man op, ditmaal met verwondering. Hij krabde een maal aan zijn hoofd.
"Weet je dat dan niet?"
"Nee" antwoordde Julian alsof het de meest vanzelfsprekende zaak van de wereld was. Hoe zou hij het ook kunnen weten? Hij kende de hele man niet eens en had eveneens geen toegang tot politiedossiers waar dat soort informatie in had kunnen staan.
"65, geloof ik" antwoordde hij ongeďnteresseerd. "Of 66. Als je zo oud wordt, houd je vanzelf wel een keer op met tellen." Weer grinnikte hij, al leek hij zich niet te amuseren. "En wie weet hoe lang het nog doorgaat?"
Julian antwoordde niet, maar keek de man aan met een zeker ongeloof. Max zag het.
"Machtige elementenheersers kunnen hun lichamelijke veroudering stilzetten met hun krachten" verklaarde hij tenslotte simpelweg.
"O?" bracht Julian verwonderd uit.
"Dat is wat ze in de volksmond onder onsterfelijkheid verstaan, ja" antwoordde de man zuchtend. "Al gaan we uiteindelijk allemaal dood. Het zijn slechts idioten die erin geloven dat zo'n gave je werkelijk onsterfelijk maakt." Hij stak zijn handen in de zakken van zijn jas en staarde met kille blik naar het zwartgeblakerde metaal. Een stilte viel. Op de achtergrond was het geluid van een nieuwe voorbij denderende tram te horen. Daarna was er weer stilte, zo nu en dan verstoord door de wind die door de eindeloos diepe schachten van de Darkaise metropool huilde. Ergens vond Julian het wel passend. Het had iets sombers, net zoals de omgeving waarin hij zich nu bevond.

Hij hoorde de paarsharige man opnieuw gniffelen, woorden in zichzelf mompelen, waarschijnlijk tegen stemmen die hij enkel in zijn hoofd kon horen. Julian besloot er niet teveel over na te denken. De man scheen krankzinnig te zijn en krankzinnigheid was niet te begrijpen voor een geestelijk gezonde persoon zoals hij. Hij moest het niet eens willen begrijpen.
"65" hoorde hij de man spottend mompelen. Het litteken op zijn gezicht vervormde zich wat naarmate zijn gezicht zich vertrok. "Ik had al met pensioen kunnen zijn, ware het niet dat dat ellendige rotjoch – " En vanaf daar ging het weer over in een onverstaanbaar gemompel.
Het duurde even voordat Julian zijn gedachten op een rijtje had gezet. De hele situatie was zo vreemd ineens, zo anders dan hij voor zich had gezien toen hij die ochtend was vertrokken en Lucy slapend had achtergelaten met een briefje op de tafel waarin hij beloofde voor het donker terug te zijn. Ergens voelde hij zich schuldig. Hij had Lucy eerder beloofd haar tijdens het feest van het licht eens mee naar buiten te nemen in Darkai, maar achteraf had hij dat toch te gevaarlijk gevonden. Om niet tegen haar teleurgestelde blik te hoeven aankijken, was hij daarom die ochtend maar vertrokken. Het was niet gemeen of oneerlijk wat hij deed, probeerde hij zich voor te houden. Hij wilde haar enkel beschermen. Maar toch voelde het zo wrang.
"Wat doe je eigenlijk in Darkai?" besloot Julian de man tenslotte te vragen toen hij de moed bij elkaar had geraapt en besloot dat, hoe gek de paarsharige figuur ook was, hij eigenlijk ook maar zielig was wanneer hij op een feestdag eenzaam in een gebied ver buiten zijn geboortegrond rondliep. "Het is een feestdag, zoals je zelf al zei. Moet je die niet elders doorbrengen?"
"Zoals waar?" bracht de man minachtend uit. "Ik weet dat je blond bent, maar ben je daadwerkelijk zo stom om te denken dat ik nog familie of vrienden heb?" Weer grinnikte hij, weer ging het over in onverstaanbaar gemompel. "Ik ben een huurmoordenaar" klonk het nors. "Die hebben geen vrienden."
"Misschien" antwoordde Julian.
"En wat doe jij hier zo alleen?" snoof de psychopaat tenslotte. "Waar heb je dat blonde meisje gelaten?"
"Thuis" antwoordde Julian wezenloos. Hoe meer hij erover nadacht, hoe schuldiger hij zich er eigenlijk over begon te voelen. Hij had haar niet alleen moeten laten, niet vandaag!
"Denk je?" bracht de psychopaat grinnikend uit. Een grijns vervormde het litteken op zijn gezicht terwijl zijn krachtveld zich uitspreidde en het energieveld van het blonde meisje waarnam.
"Natuurlijk" antwoordde Julian. "Die gaat het huis niet uit. Te gevaarlijk."
"Voor jou, ja" antwoordde Max met een grijns over zijn gelaat. "Niet voor haar, natuurlijk."
"Hoezo?" klonk het verontwaardigd.
"Jij bent maar een schriel rotkind met een nietsbetekenend krachtveld." Julian liet die belediging maar over zijn kant gaan, wetend dat er ergens nog een kern van waarheid in zat ook. "Zij, dat meisje, is het monster dat de wereld in het donker zet." Hij grinnikte opnieuw geamuseerd.
"Monster?" herhaalde Julian niet-begrijpend. Dat de man Lucy een monster noemde greep hem meer aan dan dat hij hem uitschold. Juist omdat Lucy zo gehaat werd door de buitenwereld, omdat iedereen bang voor haar was, maar eigenlijk zonder reden. Lucy was geen monster. Lucy was een engel en bovendien zijn zusje!
"Een klasse 1 elementenheerser" bracht de psychopaat uit. "Dat zijn allemaal monsters, geen uitzonderingen daargelaten."
"Waarom heb je haar dan geholpen?" bracht Julian verontwaardigd uit.
"Opdracht van de bazen" antwoordde de psychopaat. De grijns verdween. Blijkbaar voerden onaangename herinneringen opnieuw de boventoon in zijn gedachten. Hij mompelde opnieuw enkele woorden. Verwensingen, vermoedde Julian, maar zeker weten deed hij het niet. De wind waaide te hard om het te kunnen verstaan.

Ergens stelde het Julian teleur dat de man Lucy als monster bestempelde. Sowieso, wat maakte een zogeheten klasse 1 elementenheerser anders dan iemand die dat niet was? Hij had überhaupt nooit iets begrepen van dat systeem om elementenheersers in te delen. Het enige wat hij wist was dat de mensen met de lage nummers figuren waren om uit de buurt te blijven. Was Lucy een klasse 1? Ook een figuur om uit de buurt te blijven dus? Waarom oogde ze dan zo onschuldig? Waarom deed ze dan nooit iemand kwaad?
"Kende je ene Henri?" vroeg Julian tenslotte, het onderwerp veranderend. Hij voelde gewoon dat het geen zin had erover door te gaan. Dan zou hij toch alleen maar kwaad worden. Bovendien, hoeveel waarde moest hij schenken aan de mening van een geschifte man die met stemmen in zijn hoofd sprak?
"Henri?" herhaalde de paarsharige psychopaat. De toon waarop hij de naam uitsprak gaf al te kennen dat hij waarschijnlijk van niets wist. "Niet dat ik weet" antwoordde hij ongeďnteresseerd. "Hoezo?"
"Hij runde hier een kroeg, op de plek waar we nu staan, maar schijnbaar is het gebouw compleet afgebrand."
"De kroeg?" herhaalde Max. Ook hij liet zijn blik even afglijden naar de puinzooi. Toch keek hij bij lange na niet zo genoeglijk als Julian verwacht zou hebben wanneer een gek met een voorliefde voor vernietiging naar een afgebrand gebouw staarde. "Aha, die Henri dus!"
"Scheen een Neorasa lid te zijn" ging Julian rustig verder. "Collega van je?"
"Ach, zoveel collega's heb ik niet" zuchtte Max. Opnieuw was er een vreemde grijns. "De meeste kruipen al in een hoekje wanneer ze me alleen al waarnemen." Een spottend gegrinnik volgde. "Wat dat betreft heb je moed, jochie, dat je zo met me durft te praten."
"Ik sta op Neorasa's lijst van beschermde personen, naar het schijnt" verklaarde Julian koeltjes. Max draaide zijn hoofd, hief een wenkbrauw op en keek hem aan.
"Dus dat weet je ook?"
"Vertelde Henri me" antwoordde Julian. De psychopaat reageerde niet. "De man heeft me eveneens geholpen een huis te bemachtigen in Darkai. En gezien het feest is, kwam ik op het idee de man daar eens voor te bedanken."
"Vriendelijk van je" bracht Max spottend uit.
"Dus? Enig idee waar hij uithangt?"
"In een kist," antwoordde Max, "een paar meter onder de grond."
Verbouwereerd keek Julian hem aan. "Hoezo? Bedoel je dat hij – " Hij kon de bewuste woorden niet over zijn lippen krijgen. Alsof hij met het spreken van die woorden, de man daadwerkelijk doodde.
"Hij is dood, naar het schijnt" antwoordde de psychopaat kil. Ook dat leek de man maar weinig amusant te vinden, viel Julian op. Zijn woorden klonken eerder hol en leeg, maar ook dat was griezelig. Het weerspiegelde een soort onverschilligheid voor het menselijk leven die prima paste bij zijn baan als huurmoordenaar.
"Dood?" herhaalde Julian tenslotte heel voorzichtig. Zijn woorden klonken eerder fluisterend, bijna onverstaanbaar in de harde wind. Toch hoorde de paarsharige man hem. Het viel hem op wat voor goed gehoor de man moest hebben.
"Ja, vermoord" reageerde hij opnieuw met een ijzingwekkende koelte in zijn stem. Hij zag de verwijtende blik van Julian. "Niet door mij hoor" snoof hij. "Zoals ik al zei, ik ben enkel een oude seniele man die hier even van zijn rust komt genieten." Hij hief zijn hoofd op, zijn blik naar boven, en staarde naar de zwarte panelen die het licht blokkeerden. Alsof hij daadwerkelijk even genoot van de rust.
"Blijkbaar" antwoordde Julian. Hoewel Max ontkende de moord te hebben gepleegd, klonken de woorden van de lichtheerser verwijtend.

"Enig idee door wie hij wel vermoord is?" vroeg hij tenslotte. Zijn blauwe ogen knepen zich samen, de gloed erin bleef. Nog altijd vertrouwde hij de pscyhopaat niet genoeg om zijn eigen krachtveld uit te schakelen, hoewel ook hij zich moest realiseren dat hij kansloos stond tegen een aura als dat van de man. De paarsharige figuur werd tenslotte geacht de meest machtige persoon in Emion te zijn.
"Zijn moordenaar?" herhaalde Max. Hij zuchtte. "Wat voor zin heeft het als ik je die informatie geef? Ga je de man opsporen? Hem ook vermoorden?" Die laatste gedachte leek hem wel te plezieren, te zien aan de krankzinnige grijns over zijn gezicht.
"Nee!" antwoordde Julian resoluut om een einde te maken aan de zieke speculaties van de man.
"Wat heeft het dan voor zin als ik het je vertel?"
Julian zuchtte een maal diep.
"Geloof me, jochie. Dat zijn zaken waar je niet bij betrokken wilt worden." Hij griffelde opnieuw, mompelde een paar woorden die Julian niet kon verstaan, maar ging vervolgens verder. "Onderwereldzaken, welteverstaan."
"En je wilt zeggen dat ik er nu nog niet ver genoeg inzit?" bracht Julian spottend uit. "Jullie, Neorasa, doen niets anders dan zich bemoeien met het leven dat ik samen met Lucy leid. En nu mogen we ineens van niets weten?"
"Inderdaad" bevestigde de psychopaat onmiddellijk, zonder ook maar enige uitleg te verschaffen. Julians handen balden zich tot vuisten, maar hij verroerde zich niet.
"Is hij vermoord omdat hij teveel wist?" vroeg Julian tenslotte voorzichtig. Hij zag hoe de grijns over het gezicht van Max verdween en hem een verwonderde blik schonk.
"Niet dat ik weet."
"Hij scheen nogal wat te weten over Neorasa's leiders."
"O?"
"Niet wie ze waren, maar wat ze deden."
"Dat is algemeen bekend, lijkt me" antwoordde de psychopaat met een stalen uitdrukking op zijn gezicht. "Iedereen weet wat voor zieke spelletjes daar op het hoofdkwartier worden gespeeld. Daarom blijven ze er ook allemaal uit de buurt."
Julian slikte. Hem bekroop inmiddels het gevoel dat zelfs Psycho liever niet in de buurt van het hoofdkwartier kwam. Was hij dan niet de leider van de organisatie, zoals de mensen beweerden? Was hij niet degene die al die mensen had vermoord in naam van Neorasa? Zoals hij er nu stond, slonzig, vermoeid en lichtelijk geďrriteerd, leek hij niet op iemand met kwade plannen, maar Julian kon zich natuurlijk vergissen. Hij werd niet voor niets een gevaarlijke gek genoemd. Iemand die niet te vertrouwen was. Soms vriendelijk, andere keren onmenselijk wreed. Toch kende Julian alleen zijn kalmere kant tot dusver.

"En wie is Neorasa's leider?" vroeg Julian tenslotte, toen hij al zijn moed bij elkaar had geraapt om de desbetreffende vraag te stellen. Als er al iemand antwoord had op die vraag, was het deze man wel. Hij bevond zich in de hogere regionen van de organisatie, naar het scheen. De mensen met toegang tot dat soort informatie. "Of ben jij dat?"
"Ik?" herhaalde de psychopaat. Hij wierp de jongen heel even een vreemde blik toe voordat hij uitbarstte in een onbedaarlijke, bijna krankzinnige, schaterlach. Julian deinsde ietwat achteruit.
"Welnee. Was het maar zo mooi."
"Wie is het wel?" vroeg Julian door. Hij zag hoe onheilspellend de man hem aankeek. "Dan weet ik wanneer we hem tegenkomen, zodat we voor hem op kunnen passen, of zo..." kwam het er twijfelend uit. Hij realiseerde zich zelf ook wel dat het waarschijnlijk heel dom klonk. Het was immers enkel nieuwsgierigheid dat hem dreef.
Psycho grinnikte, trok zijn handen uit zijn zakken en veegde geďrriteerd zijn haar naar achteren. Julian hoorde hem iets mompelen over een kapper, hetgeen zou verklaren waarom zijn haar zo verward zat, maar de jongen besloot er maar over te zwijgen. Hij had geen idee hoe de man zou reageren wanneer hij zijn conversatie met de stemmen in zijn hoofd onderbrak. De man bleef tenslotte geschift.

Het bleef stil. Een nieuwe windvlaag kwam, huilde door de schachten, streek langs het gezicht van de jonge lichtheerser en deed een rilling over zijn magere rug ontstaan. Ondanks dat het niet vroor, bleef het een ijzig koude dag. Hij zag hoe de wind langs het platgebrande gebouw ging, de as meenam en wegvoerde de duistere diepte van de ondersteden in, om waarschijnlijk nooit meer teruggevonden te worden. De geur van as drong zijn neus binnen. Het politielint dat om de plek gespannen was, had weinig zin meer. Waarschijnlijk was het onderzoek al voltrokken. Henri lag al onder de grond en Darkai's regering kennende, zou er binnen een paar maand een nieuw gebouw op de plek staan, beheerd door een nieuwe eigenaar. Alsof er nooit wat gebeurd was.

De geschifte man was weggelopen. Het krachtveld dat Julian al die tijd had waargenomen, en waarvan hij vermoedde dat het hem zo'n onaangenaam, onheilspellend gevoel had bezorgd, had hij meegenomen naar waar hij dan ook naartoe mocht gaan. Ergens had Julian medelijden met hem. Hoe groot en machtig, hij was eenzaam. Net als hij, met dat verschil dat hij nog een zusje had. Dan konden ze tenminste nog met hun tweeën eenzaam zijn in de grote donkere stad. Julian draaide zich om, staarde naar de plek waar de man eerder had gestaan. Ergens meende hij nog een vage paarse gloed in de lucht waar te nemen. Een restant van een krachtveld, of was het slechts zijn verbeelding die hem dingen liet zien?
Hij knielde neer bij de as als een soort eerbetoon. Het zorgvuldig ingepakte cadeautje dat hij voor de man had meegenomen, zette hij neer tegen een van de laatste overeind staande metalen palen van het gebouw. Hij sloot zijn ogen en hoorde de zoveelste tram voorbijgaan. En ook al wist hij dat Henri hem toch niet zou kunnen zien –hij geloofde immers niet in een hiernamaals- toch liet hij het pakje achter als een soort eerbetoon. Toen hij weer naar huis liep, nam hij de lichtjes waar in Darkai. Licht dat brandde in de Darkaise huizen. Families die bij elkaar waren, vrienden herenigd en een stoet van gelovigen die de kerk verliet, allen gekleed in dezelfde donkere kleding met een blauwkleurige edelsteen aan een ketting om hun nek gehangen.
Ook al kende Julian de betekenis van al die rituelen niet, toch had het iets magisch. Voor even voelde hij hetzelfde als toen, op de besneeuwde dag in Darkai. Alsof hij uit de realiteit getrokken werd. Alsof het allemaal niet echt was, een droom. En dat wanneer hij weer zou wakker worden, de kroeg niet gereduceerd zou zijn tot as en Henri nog bestond.


--------------------

+*¨^¨*+ [ Hope is the denial of reality ] +*¨^¨*+

~ My fiction ~
Emion - The last light II | Hoofdstuk 39 - De val van Aether Lux (deel II) [22.08.2010]
Emion - Winter memories | [Verhaal compleet]
Emion - My fight for existence | [Verhaal compleet]
Voor Elysa | [Verhaal compleet]
~ My sigs ~
Innocence | Emotionless | Other side | Fight | Creation | Winter | Asian | Lies


Go to the top of the page
 
+Quote Post
Helix
post May 2 2010, 01:06 PM
Post #452


Uchuujin


Group: Advanced members
Posts: 61
Joined: 18-March 09
Member No.: 6,652



Wauw, echt goed. Ik was eventjes vergeten hoe leuk Emion-lezen was smile.gif
'k Ben benieuwd hoe het allemaal verder gaat.

En veel beterschap, uiteraard smile.gif.
Go to the top of the page
 
+Quote Post
R1pp
post May 13 2010, 11:29 AM
Post #453


Super Member
*

Group: Advanced members
Posts: 488
Joined: 18-April 07
From: België
Member No.: 3,589



Ik ga akkoord met Helix, het was een goed hoofdstuk. Je toont weer eens aan dat er helemaal niets hoeft te ontploffen om de aandacht van de lezer te trekken, gewoon weg een dreigende sfeer opbouwen volstaat (al is dat waarschijnlijk moeilijker dan iets te laten ontploffen tongue.gif). Uiteindelijk weet je wel dat Max niets in zijn hoofd gaat halen en dat Julian geen gevaar meer loopt sinds Sato in Darkai is geweest, maar toch... Je weet immers maar nooit in Darkai.
Ook ik ben benieuwd naar het verdere verloop, zoals steeds, maar forceer je pols maar niet om ons te plezieren wink.gif


--------------------
"One must not put a loaded rifle on the stage if no one is thinking of firing it."


Thx @ Mikaz ^^ (again x2)
Go to the top of the page
 
+Quote Post
Mikaz
post May 16 2010, 10:22 AM
Post #454


2nd class Demon
**

Group: Advanced members
Posts: 1,329
Joined: 5-August 07
From: Emion ~__~
Member No.: 4,155



Ik heb nog genoeg stof om het komende subplot af te ronden, dus vreescht niet.
Nieuw chapter. Hooray voor de dubble spoilertag tongue.gif
~ Enjoy! ~


Emion - The last light II
Hoofstuk 38 - De dromen van een engel


Er was duisternis en stilte, af en toe onderbroken door een zoemende toon waarvan de herkomst niet te achterhalen viel. In de verte klonken er voetstappen. Het geluid van een voorbij denderende tram in de verte bereikte haar gehoor, maar ze negeerde het volledig. Haar ogen waren enkel gericht op het wegdek. Op de weerspiegeling van het kleine beetje niet verduisterde lucht in de natte ondergrond.
Het was alsof er een zondvloed over Darkai was neergekomen. De ondersteden, die gebruikelijk nooit iets van de lucht zagen, laat staan van eventuele neerslag, werden nu in het water ondergedompeld. Water dat de leidingen in de bovensteden niet meer konden afvoeren kletterde met gevaarlijke snelheid naar beneden en hulde de duistere wereld beneden in een vreemde onnatuurlijkheid. Zij vond het niet erg. Ze staarde enkel naar het licht in het door het water glimmende metaal terwijl de regen gestaag op haar zwarte paraplu tikte en het geluid ervan haar bijna in een soort hypnotische staat bracht. Bijna, totdat ze werd afgeleid door iets anders. Een vreemd gevoel, een energieveld, maar anders dan dat van de gebruikelijke Darkaise persoon die ze in de ondersteden tegenkwam. Dit krachtveld riep een vreemd gevoel bij haar op. Alsof het onnatuurlijk was, totaal ontwricht, gevaarlijk misschien. Maar toch was ze niet bang. Met een nieuwsgierige blik op haar kindergezichtje naderde ze het zwartkleurige hoopje ellende dat zich bijna onopvallend tegen de muur van een gebouw gezeteld had.

Hij zat in elkaar gedoken, totaal doorweekt door de hevige regenval. Niet iemand die zou worden opgemerkt in Darkai, daar al talloze mensen hem argeloos waren gepasseerd. De meeste gunden hem geen blik waardig, hun ogen gesloten voor alle ellende in de grote stad. Ze waren niet in staat te zien of te voelen wat zij waarnam. Zij was echter anders, wist ze instinctief, al had ze eigenlijk geen idee waarom dat zo was. Toen haar blauwe ogen de vuurrode demonische ogen van de jongen kruisten, ging er een gevoel door haar heen wat met geen woorden te beschrijven viel. Kracht, de onmiskenbare energie van een aura dat haar verstand ver te boven ging, maar tegelijkertijd zoveel pijn en ellende dat ze medelijden met hem had.



Haar blauwe ogen openden zich abrupt toen ze wakkerschrok uit de zoveelste verwarrende droom. Het duurde even voordat ze bij haar zinnen kwam en zich realiseerde dat het geen regen was die haar kleding zo klam maakte, maar zweet. Verafschuwend staarde ze haar het shirt dat ze droeg, waarna ze vervolgens langzaam haar blik afwendde naar het kleine raampje in het kamer. Het was donker, maar dat hoefde op zich niets te betekenen. Op de plek waar zij woonde was het vrijwel altijd donker, zelfs wanneer het midden op de dag was.
Ze stond op, gooide de deken van haar lichaam af en liep naar het raam waar ze op haar tenen voor bleef staan. In de verte zag ze een streep licht over een gebouw vallen. Vermoedelijk was het al ochtend, want de zon was in ieder geval al opgekomen. Waarschijnlijk de zoveelste bewolkte dag, bedacht ze zich teleurgesteld. Ze wendde haar hoofd weer af van het raam, veegde haar blonde haar naar achteren en bleef voor een moment besluiteloos in haar kamer staan. Uiteindelijk besloot ze maar dat het tijd was om zich om te kleden.

Terwijl ze in de kartonnen dozen rommelde waar haar kleding in lag, bedacht ze zich ineens weer wat voor dag het was geweest. Het was vandaag een feestdag, de dag dat de mensen in Darkai het feest van het licht vierden en de dag waarop haar oudere broer haar beloofd had mee naar buiten te nemen. Nu ze erbij nadacht, waar was Julian eigenlijk gebleven? De jongen sliep niet meer. Ze liep naar de kamer, wierp een blik om de hoek naar de keuken en toilet, maar vond geen spoor van Julian. Toen ze langs de kapstok liep, viel het haar op dat zijn jas er niet hing. Vertwijfeld bleef ze naar de lege plek staren. Betekende dit dat hij er niet was? Dat hij was weggegaan? Ze liep naar de tafel en vond een klein briefje waarop in een slordig, vluchtig handschrift enkele woorden waren gekrabbeld.
Hij was weg, aan het werk, zo zei het briefje. Ze draaide haar hoofd schuin, kneep haar ogen ietwat samen en staarde nogmaals, alsof het opschrift van het papiertje zou veranderen als ze maar lang genoeg bleef staren. Hij was aan het werk... Het duurde even voordat de woorden tot haar doordrongen. Werk? Op een feestdag in Darkai door de godsdienstige mensen veel uitbundiger werd gevierd dan waar dan ook in de wereld? Onmogelijk! Ze snoof een maal geďrriteerd, frommelde het briefje ineen tot een propje en wierp het door de kamer. Ze kon de reden waarom hij was vertrokken wel raden. Omdat hij wist dat hij haar de belofte had gemaakt de stad in te gaan om de lichtjes te bewonderen. Omdat hij het te gevaarlijk vond, maar hij eveneens wist hoezeer zij haar zin door kon drijven. Hij was vertrokken uit schuldgevoel, waar dan ook naartoe, en waarschijnlijk zou hij pas terugkeren naar huis wanneer de zon onderging, het feest voorbij was en de lichtjes waren gedoofd. Dan zou hij met een vermoeid gezicht gaan zeggen dat ze niet moest zeuren en moest gaan slapen. Er zou heus nog wel een andere keer komen dat het feest van het licht in de Darkaise regio werd gevierd. Terwijl die gedachten door haar hoofd gingen, kon ze zich precies indenken hoe hij zich zou gaan gedragen, en juist dat maakte haar van binnen pisnijdig.
Misschien was dat wel de reden waarom ze uiteindelijk haar besluit nam. Als Julian haar niet mee zou willen nemen naar buiten om haar het licht te laten zien, dan zou ze zelf wel gaan.

Ze liep naar haar kamer, trok vluchtig de zwarte kleding aan die ze vrijwel altijd droeg sinds haar komst in Darkai. Een andere kleur dan zwart en donkergrijs scheen hier niet verkrijgbaar te zijn, als ze haar broer moest geloven, want zelf had ze de buitenwereld nog niet zo vaak betreden. De broek die ze droeg was te wijd voor haar smalle lichaam evenals het shirt dat om haar smalle taille slobberde en waarvan de mouwen ruimschoots over haar handen vielen. Haar blonde haar veegde ze met een simpele beweging uit haar gezicht, waarna ze het achterop haar hoofd vastzette met een knip. En tenslotte trok ze de cape aan die over de kapstok hing, trok ze de capuchon een flink eind over haar gezicht, zodat ze daarmee haar helderblauwe ogen kon verbergen, en was ze klaar om naar buiten te gaan.
Al snel kwam ze erachter dat de deur op slot was en Julian waarschijnlijk de enige sleutel van het pand had meegenomen, maar ook hier had ze inmiddels een handigheidje op bedacht. Voorzichtig plaatste haar smalle handen tegen het slot, evenals haar oor. Het krachtveld dat zich in haar binnenste bevond was beter dan een haarspeld, en het slot klikte dan ook vrijwel ogenblikkelijk open. Met een triomfantelijke glimlach over haar gelaat trok ze de deur van het krakkemikkige huisje open. Ze zou Julian eens wat laten zien!

Even aarzelde ze. Ze wist niet waar Julian was en wanneer de jongen zou terugkeren naar het huis, maar te zien aan het mededeling op het briefje dat hij had achtergelaten, zou het nog wel even duren. Bovendien had hij geen enkel recht om kwaad te worden. Hij had haar tenslotte beloofd dat hij haar mee naar buiten zou nemen op de dag dat het feest van het licht gevierd zou worden, en die belofte had hij schaamteloos gebroken. Wat voor reden zou zij dan hebben om zich wel aan haar belofte te houden om het huis niet zonder toestemming te verlaten? Ze snoof een maal geďrriteerd en trok de deur van het huis tenslotte met een ruk achter zich dicht, alsof ze daarmee wilde zeggen dat het haar allemaal niets kon interesseren, hoewel het dat diep van binnen wel deed.
Een ijzig koude windvlaag kwam haar tegemoet en deed een rilling over haar smalle rug lopen. Even was ze vergeten hoe koud de winters in Darkai konden zijn, zeker gezien zij geen winterjas had maar enkel een dunne zwarte cape die haar Luxranse uiterlijk voor de buitenwereld moest verbergen. Ze moest de capuchon stevig vasthouden zodat de wind die niet van haar hoofd zou blazen. Veel wist ze niet van de cultuur in Darkai, maar Julian had haar gezegd dat de mensen het hier niet zo hadden op lichtheersers zoals zij. En haar bijna witblonde haar zou onmiddellijk verraden waar ze van oorsprong vandaan kwam, daar was geen twijfel over mogelijk.

De eerste passen die ze zette waren wankel en onzeker. Hoewel ze eerder zo kwaad was geweest op haar broer en zijn besluit weg te gaan, uitgerekend op de dag dat het feest van het licht gevierd zou worden, begon ze nu aan haar besluit te twijfelen. Was het wel verstandig om naar buiten te gaan op de dag dat zich zoveel gelovigen in de straten van Darkai bevonden? Julian was meer dan eens thuisgekomen met verwondingen die hij –zo beweerde hij- had opgelopen tijdens zijn baan als krantenbezorger. Verwondingen aangericht door de streng gelovige sektes die zich in de ondersteden bevonden en die iedere lichtheerser automatisch als een ketter beschouwden. Ze hadden Julian niet gespaard, ook al droeg hij contactlenzen en had hij zijn witblonde haar donker gekleurd. Zouden ze haar wel sparen?
Toch vergat ze die onzekerheid tenslotte weer toen ze het centrum van de containerwijken naderde en de lichtjes in de stad zag. Een tram stopte bij een halte even verderop, op de chauffeur na compleet verlaten. Heel even twijfelde ze, maar tenslotte besloot ze dat het wel interessant kon zijn om eens een ander gedeelte van de stad te verkennen. De bovensteden, waar ze al zoveel over gehoord had maar waar ze nog nooit geweest was. Julian had gezegd dat, hoewel het gebied aangenaam en licht was, het er gevaarlijk was voor hen. Ze bleven tenslotte twee voortvluchtigen die al eerder door de politie in Darkai waren opgepakt. In de ondersteden, waar ze nu woonden, opereerde de politie niet zoveel. Waarschijnlijk was dat de reden dat die gelovigen ook zo hun gang konden gaan, maar tegelijkertijd was het de reden dat de twee lichtheersers zo lang ongemerkt in de metropool hadden kunnen verblijven. In ieder ander gedeelte van de stad waren ze waarschijnlijk allang opgepakt door de politie en dan...
Haar gedachten maakten een korte stop. Wat zou er eigenlijk gebeuren wanneer de politie hun ving? Was het dan gedaan met hun tocht naar de hoofdstad? Zouden ze worden opgesloten in een cel, net zoals toen? Dat deden ze immers toch met criminelen? Maar Lucy kon zich maar moeilijk voorstellen dat twee kinderen zouden worden beschouwd als criminelen. Criminelen waren toch mensen die slechte dingen deden? Mensen die anderen pijn deden met hun acties, en dat deden ze niet en hadden ze ook nog nooit gedaan. Was het misschien Enirgon dat haar terug wilde hebben, om energie uit haar lichaam te halen, of wat ze daar dan ook deden? Echt begrepen had ze haar leven in die energiecentrale nooit en hoe meer ze erover nadacht, hoe minder ze ervan begreep. Waarom hadden ze haar eigenlijk opgesloten? En waar was al die energie die in haar lichaam huisde gebleven? Ze had inmiddels al in geen tijden meer de energie door haar lichaam voelen stromen. Zo lang al niet, dat haar leven met energie inmiddels een lang vervlogen tijd leek.

Compleet in gedachten zag ze de tram optrekken en weer van de halte vertrekken. Ze wilde nog rennen om hem alsnog te halen, maar realiseerde zich al snel dat het zinloos was, dus liep ze maar verder de duisternis in. Julian had gelijk gehad wat betreft de lichtjes. Waar het de vorige keer toen ze hier was compleet donker was geweest, waren er nu overal kleine lampionnetjes opgehangen, waarschijnlijk ter ere van het feest van het licht. Wat het precies betekende, wist ze niet. Er was iets van een legende over een dame met zwart haar die de wereld in duisternis had gehuld. Zoiets had ze opgevangen vanuit de verhalen tenminste, maar wat het echt allemaal inhield wist ze niet. Waarschijnlijk moest je hier zijn opgegroeid om de ware betekenis van het alles te kennen.

Ze liep verder de stad in. In het centrum van de containerwijken –zoals ze de ondersteden van de metropool altijd noemde- was een klein winkelcentrum waar Julian altijd zijn boodschappen deed. Verder stond er een grote kerk, maar die meed ze liever. Ze wist dat er bij die plek altijd gelovigen rondhingen en dat die waarschijnlijk niets goeds in hun zin zouden hebben bij het zien van een jong meisje met blond haar. Toch kon ze het bij het passeren van het imposante gebouw niet laten een blik te werpen op de enorme ruit met de afbeelding van de Dame der Duisternis. Ergens fascineerde het zelfs haar, al wist ze niet waarom.
Ze liep verder, langs het gebouw waar ze ooit die student had zien zitten tegen die zwarte muur aan. Zijn kleding nauwelijks te onderscheiden in al het donker, maar zijn bleke gezicht tekende zich meer dan duidelijk af tegen al het zwart. Even bleef ze staan en riep ze het moment van die gebeurtenis, of van die droom, weer terug in haar gedachten. De paraplu die ze boven haar hoofd had gehouden. Regen, hetgeen op zich al heel ongebruikelijk was in de ondersteden van Darkai, die met luid gekletter neersloeg op het metaal op de grond. En die zwartharige jongen die ineengedoken als een hoopje ellende tegen die muur aan zat, zijn krachtveld dusdanig ontwricht dat zelfs zij medelijden met hem had. Om een niet te verklaren reden, leek enkel zij in staat te zijn krachtvelden op die manier aan te voelen. Julian was er niet toe in staat. Hij kon enkel kwaad op haar zijn wanneer ze naar buiten was gegaan, maar was niet in staat de emoties van mensen waar te nemen en soms zelfs niet eens hun krachtvelden. Soms maakte Lucy zich zorgen om hem wanneer hij naar buiten ging om zijn krantenwijk te doen. Zij wist dat, hoe stoer hij zich ook voordeed, Julian in wezen ook niets meer dan een kwetsbare jongen was. In de tijd dat ze in Darkai verbleven, was hij mager geworden en ziekelijk bleek. Nog magerder en bleker dan zij was geworden, maar dat was op zich wel logisch. Zij bleef veelal thuis, in een beschermde omgeving, terwijl hij het zware werk deed. En ergens voelde ze zich daar nog schuldig over ook, bedacht ze zich met een zucht. Ze was het thuiszitten wel eens zat.

Ze hoorde geluiden. Het geluid van een langs denderende tram op een van de bovengelegen niveaus, en stemmen. De stemmen trokken haar aandacht, gezien ze wel erg dichtbij leken. Ze wendde haar hoofd naar de plaats waar ze die vandaan hoorde komen, de kerk in de verte, die op een iets lager niveau lag dan het winkelcentrum. Voorzichtig, maar met haar rug tegen de koude muur van een nabijgelegen gebouw aangedrukt, schuifelde ze naar voren. Net zolang tot de zicht had op de ingang van het enorme bouwwerk en hetgeen zich er afspeelde.
Er stonden talloze mensen voor de ingang van de kerk. Darkaise mensen, zo te zien aan hun verschijningen. De meeste van hen hadden zwart haar, een bleke huid en donkere ogen. Ze waren allen gekleed in lange, donkere jassen. Zwart, al leek het in de oranje weerspiegeling die de ruit van de kerk op de mensen wierp eerder donkerbruin. Er waren volwassenen, hele oude mensen die zich staande moesten houden met wandelstokken en zelfs jonge kinderen. Allemaal, hoe klein ze ook waren, hadden ze een lampionnetje in hun handen geklemd. Vanaf een afstandje zag het er vredig uit. Als een soort mis. Van dichtbij zou het een stuk anders zijn, wist Lucy echter. Daar waren de mensen niet vriendelijk, maar zelfs zeer vijandig. Luxranse personen werden, vanwege hun afkomst, immers nog steeds als ketters gezien. En alle ketters moesten dood, volgens deze streng gelovige mensen.
Een man in het midden van de groep trok de aandacht. Lucy vermoedde dat het een man was, tenminste. De zwarte capuchon die hij tot ver over zijn hoofd had getrokken maakte het niet echt zichtbaar wie of wat hij was. Hij droeg een lang soort cape die tot aan de grond reikte. Om zijn nek had hij kettingen hangen, zo groot dat ze zelfs vanaf de afstand waarop het kleine meisje zich bevond nog duidelijk zichtbaar waren. Het was een ketting met drie grote blauwe edelstenen die het licht van de bovenwereld reflecteerden op een manier waarop het bijna leek alsof het licht gaf. Julian had haar ooit wel eens uitgelegd dat die edelstenen een betekenis hadden, maar waar het voor stond was ze inmiddels alweer vergeten. Fascinerend was het wel. Met open mond bleef ze staan kijken, net zo lang tot een stem haar uit haar gedachten trok.

"Hé, wat doe je?"
Verschikt draaide ze zich om en hief ze haar hoofd op naar een jongen die maar heel iets groter was dan haar. Ze had het gedaan, al voordat ze er erg in had, en besefte zich pas later dat de jongen onmiddellijk haar blauwe ogen gezien moest hebben. Die waren zelfs onder die zwarte capuchon niet te verbergen. Nu was er geen ontkennen meer aan dat ze hier vandaan kwam. Niemand in Darkai had van nature blauwe ogen. Haar kinderlijke gezichtje vertrok zich tot iets zorgelijks.
"Niets" stamelde ze. "Hoezo?"
De jongen keek haar aan met verwondering. Het duurde even voordat hij weer bij zinnen kwam.
"Jij bent..." Hij onderbrak zijn zin even om adem te halen, maar misschien ook wel om na te denken. In tussentijd staarde hij haar bijna wezenloos aan.
Lucy voelde zich ietwat ongemakkelijk, maar ze besloot te zwijgen. Ergens in haar achterhoofd maalden haar gedachten. Ze vroeg zich af wat de jongen van haar wilde, wat ze zou kunnen doen om hem af te leiden en te ontsnappen. Op haar krachten kon ze niet vertrouwen in de donkere ondersteden van Darkai. Die had ze immers alleen als ze licht had – dat dacht ze tenminste. Echt zeker weten deed ze het niet, maar Julian zei dat ze haar gave hier beter niet kon gebruiken, dus had ze maar gedaan wat haar broer haar zei.
"Jij bent een lichtheerser" wist de jongen tenslotte totaal overrompeld uit te brengen. Er weerklonk geen haat in zijn stem, noch verafschuwing, en dat laatste verbaasde het blonde meisje eigenlijk wel. Had Julian niet gezegd dat alle mensen hier een hekel hadden aan de lichtheersers? Of gold dat alleen voor de mensen die vanuit Darkai zelf kwamen?
De jongen had sluik haar dat zo donkerbruin was dat het in het schemerdonker gemakkelijk op zwart had kunnen lijken. Net een Darkaise, ware het niet dat zijn oranjebruine ogen verrieden dat hij van oorsprong niet hier vandaan kwam. Dat, gecombineerd met zijn ietwat getinte huid, zorgde ervoor dat zijn verschijning Lucy onwillekeurig deed denken aan de mensen in de vuurstad. Misschien kwam hij daar oorspronkelijk ook wel vandaan.
"Maar wat doet een lichtheerser zoals jij hier?" vroeg de jongen oprecht verwonderd. Het klonk luid. In haar gedachten echode het door de complete ondersteden. Ze sloeg dan ook haastig haar hand voor zijn mond en gebaarde hem om stil te zijn. Gelukkig waren de gelovigen bij de kerk veel te druk geweest met de preek die de man in de zwarte cape verkondigde. De jongen keek haar met verschrikte uitdrukking aan toen ze haar hand weer terugtrok en hem met strenge blik probeerde aan te kijken.

"Sorry," verontschuldigde ze zich onmiddellijk, "het was niet mijn bedoeling, maar ik heb liever niet dat ze me opmerken." En ze wendde haar blik af naar de mensenmassa even verderop. "Die Darkaise mensen schijnen het niet zo te hebben op lichtheersers zoals ik."
Ze keek nogmaals achterom om zeker te stellen dat niemand ze had opgemerkt, maar het bleef rustig.
"Vertel mij wat" mompelde de jongen. "Het is niet alleen lichtheersers, maar ook andere mensen uit buitengelegen gebieden. Ze zijn zo racistisch als de pest." Hij snoof een maal minachtend.
"Wat doe je hier dan?" vroeg Lucy hem. Maar ineens bedacht ze zich dat ze zichzelf ook die vraag kon stellen. Wat deed zij eigenlijk buiten in de ondersteden van Darkai, in het hol van de leeuw. "Of woon je hier soms ook?"
"Nee" hij schudde zijn hoofd resoluut, alsof hij een afkeer had van die ondersteden. "Ik kom van daarboven." Hij hief zijn hand op en wees naar het kleine beetje grijze lucht dat te zien was tussen de zwarte panelen. "De bovensteden, waar alle immigranten wonen."
"Wat doe je dan hier beneden?" vroeg Lucy. Het klonk min of meer verwijtend. Zij had ook graag in die bovensteden willen zitten. Daar, waar het licht was. Maar dat was helaas geen mogelijkheid. De huizen waren er niet te betalen. En buiten dat liep er bijna dag en nacht politie rond. Het zou voor twee voortvluchtigen zoals hen geen veilige plek zijn. De laatste keer dat de Darkaise politie ze had opgepakt en de daaropvolgende ruige behandeling, stond haar nog helder voor de geest als zijnde een onprettige ervaring. Iets dat ze niet graag nog een keer zou willen doorstaan. Bovendien waren ze er niet eens zelf uit gekomen. Ze hadden enkel kunnen ontsnappen door de hulp van Neorasa, ook al ontkende Julian dat laatste feit tot op de dag van vandaag, zoals hij eigenlijk wel meer ontkende.

Over Henri, de barman die het tweetal eerder had opgevangen, had hij nog wel eens gesproken. De man had ze zelfs de woning geregeld waarin ze nu zaten, zo zei hij. Maar in zijn optiek stond Henri los van Neorasa waarvan Julian nog altijd beweerde dat ze zijn ouders hadden gedood, en daarmee dus ook haar ouders, ook al kon ze er niet echt iets bij voelen. Zij had haar ouders immers nooit gekend zoals Julian dat had. Vanuit de verhalen wist ze dat ouders degenen waren die kinderen opvoedden en ze vertelden wat wel en wat niet mocht, maar echt kennen deed ze het begrip niet. In Enirgon had ze geen ouders gehad. Daar waren enkel mannen in witte jassen met zonnebrillen op hun hoofd. Ze waren niet onvriendelijk of gemeen, maar ze waren gewoon onverschillig. Wanneer ze probeerde tegen hen te praten, kwam er maar zelden een antwoord. Na Enirgon, was ze bij Julian terechtgekomen. Haar broer. Julian had haar ooit eens uitgelegd dat een broer zoiets was als familie. En dat familie betekende dat je bij elkaar hoorde of op elkaar leek. Een vreemd concept, zo vond Lucy, die haar hele leven al alleen was geweest.

"Mijn vader moest weer eens werken" was het minachtende antwoord van de jongen op haar vraag. Ze schrok op uit haar gedachten en wierp de jongen een verwonderde blik toe.
"Werken, op een dag zoals deze?" bracht ze tenslotte vertwijfeld uit. Ze herinnerde zich het briefje van Julian op de tafel. Ook hij beweerde dat hij moest werken. Was dat dan toch geen leugen geweest? Werkten er mensen op deze feestdag?
"Ja," zuchtte de jongen, "Iedereen is vrij en hij moet weer zo nodig werken. Altijd maar werken, werken, werken." Het klonk mismoedig en ergens had Lucy medelijden met de jongen. Al wist ze niet waarom, instinctief voelde ze aan dat hij verdrietig was, een emotie die ze bij anderen maar slecht kon verdragen. Waar andere mensen het verdriet van anderen negeerden, of er misschien niet eens toe in staat waren het te zien, voelde zij het gewoon aan. Het was als een wolk van negativiteit die het krachtveld van de persoon in kwestie verstoorde. Net zoals toen, op die dag dat de regen met bakken uit de lucht was gekomen en ze die zogenaamde student was tegengekomen. Al was hij geen normale student en verstoorde zijn krachtveld meer dan alleen zijn innerlijke energie. Ook de extreme weersveranderingen waren tenslotte voortgekomen uit de veranderingen in zijn energieveld, zo voelde ze instinctief aan. Tegen Julian had ze over het laatste nooit een woord gesproken. Hij zou haar toch niet geloven. Hoe kon hij nu geloven in iets dat enkel zij, een meisje dat jaren jonger dan hem was, kon voelen?
"Wat doet hij voor werk?" vroeg Lucy tenslotte na een korte pauze. Ze liet haar blik opnieuw even afglijden naar de groep met mensen verderop om te kijken of ze hen niet hadden opgemerkt, maar dat hadden ze inderdaad niet. Er leek nog niets veranderd te zijn.
"Iets met wetenschap" antwoordde de jongen schouderophalend. "En met energie. Het schijnt nogal belangrijk te zijn. Vandaar dat hij bijna nooit vrij heeft."
"En daarom ben je de ondersteden in gegaan?" vroeg Lucy verwonderd. Een windvlaag passeerde het tweetal en huilde mistroostig door de schachten. De jongen schudde zijn hoofd. Zijn haren waaiden mee in de wind.
"Nee, ik wilde weglopen. Hem laten zien dat het leven hier veel beter was omdat de mensen hier wel vrij konden krijgen. Maar achteraf gezien is dat het zoveelste stomme idee dat ik had." Hij zuchtte een maal diep, liet zich moedeloos op de grond zakken en staarde naar het weinige licht dat door de schachten kwam. "Ik heb me nooit gerealiseerd dat het hier bijna volledig donker zou zijn" klonk het tenslotte kwetsbaar.
Lucy hief haar kleine hoofdje ook op en staarde eveneens naar het licht daarboven. Verlangend, want ze wist hoe ver weg het was. Hoe onbereikbaar voor haar. Zij en Julian zouden het licht niet eerder zien dan de dag dat ze zouden vertrekken uit Darkai en die lag, gezien het schamele loontje dat Julian met zijn werk verdiende, nog erg ver in de toekomst. In ieder geval niet eerder dan de zomer.

"Woon jij hier dan wel?" vroeg de jongen Lucy verwonderd. "Ik bedoel, een lichtheerser zonder licht is als – "
"Een strikte noodzakelijkheid" zuchtte Lucy. Hij zag hoe de jongen zich verwonderde over haar vreemde accent, maar negeerde het en strekte haar hand naar hem uit. "Mijn naam is Lucy, overigens. En de jouwe?"
De jongen staarde verwonderd van haar hand naar haar gezicht.
"Leon" opperde hij vervolgens voorzichtig. Hij hield zijn hand nog altijd afzijdig, maar maakte een buiging gevolgd door een vreemd handgebaar. Lucy herkende het vanuit Fyrion en de manier waarop de mensen elkaar daar groetten.
"Een vuurheerser?" wist ze correct te concluderen, waarop de jongen zwijgend knikte. "Waarom ben je dan in Darkai beland?"
"Lang verhaal" zuchtte Leon. "Lang geleden, toen mijn ouders nog niet gescheiden waren, woonden we nog in een klein dorp aan de rand van het Fyrion district. Maar mijn vader moest altijd al veel weg voor zijn werk. Op een dag werd mijn moeder dat zo zat dat ze mij heeft achtergelaten met hem en is weggelopen met een andere man." Hij vertelde het koeltjes, alsof hij er geen enkele moeite mee had.
"En je hebt je moeder nooit meer gezien?" vroeg Lucy verwonderd.
Leon schudde zijn hoofd. "Nee, maar het maakt niet uit. Het gebeurde toen ik nog heel klein was. Ik herinner me bijna niets meer van haar. Mijn vader vertelde me het verhaal ooit eens, toen we nog in Luxran woonden."
"Dus jullie hebben ook in Luxran gewoond?" Lucy kende het gebied niet, maar wist vanuit de verhalen van Julian dat Luxran haar geboortegrond moest zijn en de plek waar alle lichtheersers vandaan kwamen. Een fijne, lichte plek waar de zon vaak scheen. Heel iets anders dan die verschrikkelijke duisternis van Darkai. Waarom ze na de ontsnapping uit Enirgon dan ook niet daar naartoe waren gegaan, was voor haar een raadsel, maar waarschijnlijk had Julian er zijn redenen wel voor. Hij wist immers meer van de wereld dan zij wist. Hij had niet de eerste tien jaar van zijn leven opgesloten gezeten, afgezonderd van de buitenwereld. Zij wel.
"Ja, mijn vader en ik reizen de hele wereld over" onderbrak Leon haar. "Eerst Fyrion, toen Luxran, daarna hebben we nog een paar maanden in de hoofdstad gezeten, en tenslotte zijn we hier in Darkai aanbeland." Opnieuw haalde hij zijn schouders op. "Ik had gehoopt dat we ook hier weer binnen een paar maanden weg zouden zijn, maar helaas hebben ze mijn vader een vast contract aangeboden bij het bedrijf waar hij nu werkt. Jammer, want ik woon hier niet graag. Te donker, en bovendien zijn de kinderen op school hier niet aardig. Zeker niet wanneer je niet uit Darkai zelf komt."

"School" herhaalde Lucy in gedachten, zonder te weten wat het woord daadwerkelijk inhield. Het scheen een plaats te zijn waar andere kinderen van haar leeftijd regelmatig naartoe gingen en waar mensen ze dingen leerden. Zij niet. Zij had geen geld om naar school te gaan. Bovendien zouden ze toch weer verder reizen binnen aanzienlijke tijd.
"En wat doe jij hier?" vroeg Leon, die aanstalten maakte om te vertrekken naar de dichtstbijzijnde tram die hem naar de bovensteden zou brengen. Hij gebaarde haar om mee te komen.
"Ik reis rond, samen met mijn broer" antwoordde Lucy, zonder daarbij een reden te vermelden. Ze vermoedde dat hij er toch niet naar zou vragen, en dat deed hij inderdaad niet. Hij leek eerder enthousiast te zijn.
"Gaaf! Waar zijn jullie allemaal al geweest?"
"Luxrans buitengebied, Fyrion, Illuminon" somde Lucy op terwijl ze op haar vingers telde. "En uiteindelijk zijn we hier gestrand, in Darkai" zuchtte ze. "Het geld was op, zeg maar."
"Jammer" bracht Leon min of meer teleurgesteld uit.
"Best wel" bevestigde Lucy. "We zitten hier al zo lang in de bovensteden dat ik me niet eens meer kan herinneren wanneer ik voor het laatst het daglicht heb gezien." Opnieuw wierp ze een verlangende blik naar het dunne streepje lucht daarboven.
"Ik kan je meenemen naar mijn huis in de bovensteden" opperde Leon. "Mijn vader is toch niet thuis en misschien..."
Lucy stemde al in voordat de jongen zijn zin ook maar af kon maken, hetgeen de jongen duidelijk leek te verbazen. Toch kostte het hem weinig moeite haar mee te nemen. Misschien was het omdat ze beiden vreemdelingen waren in een gedeelte van de stad waar maar bar weinig immigranten kwamen, of misschien omdat ze beiden over een lichtgevend element beschikten. Er werd immers nog altijd beweerd dat het lichtelement voor oorsprong afstamde van het vuur.
Voor Lucy maakte het allemaal maar weinig uit. Zelfs haar broer was ze voor een moment vergeten toen de jongen haar voorstelde naar de verlichte bovensteden te gaan. Haar angst voor de politie, voor Neorasa en de andere organisaties die haar op het spoor waren, was ze eveneens vergeten. Het was immers een feestdag. Wie kon er op een dag zoals die op zoek zijn naar een klein meisje? Ze sloot haar ogen en liet zich leiden door de gevoelens van het moment en vooral door het verlangen de zon weer eens te zien na al die dagen in duisternis te hebben gespendeerd.

Ze stapten in de eerste beste tram die stopte. Hoewel ze geen identiteitsbewijs had, noch een bewijs voor het openbaar vervoer, was het voor Leon geen enkel probleem haar mee te krijgen. Met een stalen gezicht verkondigde hij aan de trambestuurder dat het arme meisje een vriendin van hem was die helaas haar vervoersbewijs was verloren in de ondersteden, maar toch graag haar familie wilde bezoeken op een dag zoals vandaag. Het verbaasde Lucy hoe gemakkelijk de man het verhaal accepteerde, maar aan de andere kant was het niets meer dan normaal. Het was tenslotte een feestdag die Darkaise mensen veel sterker aanhingen dan wie ook ter wereld. Op een dag zoals deze, bestond er enkel solidariteit en verloren zelfs de duistere elementenheersers voor een moment hun kille en onverschillige houding.
Zwijgend, nog zonder de tramchauffeur aan te kijken uit angst dat deze de helderblauwe kleur van haar ogen zou opmerken, liep ze door, waarna ze plaatsnam ergens achterin het toestel. Leon, die in al die jaren in Darkai schijnbaar geleerd had hoe hij zich moest gedragen tegenover de stugge bevolking, bedankte de man op beleefde wijze en haastte zich daarna ook naar zijn plek. Na enig gerammel kwam er beweging in het voertuig en beklommen ze de stad naar de bovengelegen niveaus.


Het viel Lucy op hoe stil het was, zowel in de tram als daarbuiten. Waar het anders een drukte van jewelste was in het bruisende stadscentrum, hing er nu bijna een doodse stilte en liep er vrijwel niemand op straat. Even was het zoals toen, bedacht Lucy zich. Zoals die dag dat de regen uit de lucht was gekomen en ze laat die middag nog was teruggereisd naar haar huis, de gewonde student met zich meenemend. Ondanks dat het eerder druk was geweest, verdwenen de mensen al vrij snel uit de straten, vermoedelijk weggejaagd door de regen. Uiteindelijk waren alleen zij en de jongen achtergebleven, bijna als geestverschijningen in een verlaten stad. Totdat ze naar het huis waren gegaan –de container, zoals zij het nog altijd noemde- en ze terug waren gekeerd in de vriendelijke, huiselijke sfeer van de inrichting gemaakt door twee lichtheersers.
Leon staarde uit het raam naar buiten. Niet naar het licht daarboven, zoals ze verwacht had van een vuurheerser zoals hij, maar naar de diepte van de schachten eronder. Zij deed hetzelfde. Niet omdat ze van het donker hield, maar puur uit nieuwsgierigheid. Terwijl ze naar het gapende gat beneden keek en de wind ruig langs het toestel voelde schuren, vroeg ze zich van binnen af hoe diep het moest zijn. Darkai was, in heel Emion, de enige regio die steden in de lucht bouwde, zo had Julian haar verteld. De steden strekten zich uit tot kilometers de ijle lucht in, waar de zon een brandende kracht had en geen oorspronkelijke duistere elementenheerser zich vermoedelijk waagde. Maar de stad kende eveneens niveaus die tot ver onder het aardoppervlak doorliepen. De gapende diepte in, waar het altijd donker was en koud. Dit was waar de energie van de grote steden gegenereerd werd, zo had Julian haar ooit eens verteld, die dat soort informatie op zijn beurt weer had gekregen van Henri. De man scheen, ondanks dat hij van oorsprong niet uit het gebied kwam, goed op de hoogte te zijn.

Ground Zero, het absolute nulpunt, zo noemde men het laagst gelegen gebied van de grote Darkaise metropool. Een gebied dat zo ver weggeschoven was onder al het andere dat het er zelfs overdag zo donker was dat men geen hand voor ogen kon zien. Nog donkerder dan de ondersteden waar de gelovigen woonden. Een plek die dag en nacht verlicht werd door kunstmatig licht. Daar werkten de meest geniale wetenschappers van Darkai samen aan een project; de energiecentrale van Darkai die de hele regio van energie moest voorzien. Sinds de laatste explosie in Enirgon, de explosie waarbij Neorasa de centrale had platgelegd en zij had weten te ontkomen, waren er dingen veranderd in de wereld. Zo was Enirgon niet langer het bedrijf dat alleenrecht had op de energievoorziening, maar had de keizer zich opengesteld voor de concurrentie van andere bedrijven. Darkai had hier handig op ingespeeld, naar het scheen, al hadden terroristen van zowel Enirgon als andere organisaties het allang op hun manier van energie genereren voorzien. Het was dan ook niet voor niets dat de onderste gedeelten van de metropolen voor iedereen, behalve de mensen die er werkten, strikt verboden gebied waren.
"Zie je die duisternis?" vroeg Leon. Hij wendde zijn blik af naar het blonde meisje dat naast hem zat, maar dat nog altijd de capuchon van haar jas tot ver over haar gezicht heen had getrokken. Lucy knikte langzaam.
"Dat, daar beneden, is waar mijn vader werkt" bracht Leon zelfs nog wel met enige trots uit. Blijkbaar was het niet enkel haat dat hij naar de man toe voelde, maar ook nog een soort van respect. Lucy begreep het. Het was immers niet gemakkelijk een goede baan te krijgen op een plek zoals dit. Julian had het immers ook nooit verder weten te schoppen dan krantenjongen, al was dat waarschijnlijk ook deels omdat hij illegaal was.
"Daar?" vroeg Lucy verwonderd. Ook zij staarde de diepte in. De man werkte daar beneden, bij Ground Zero? De energiecentrale?
"Ja, daar beneden bij de energiecentrale" bevestigde Leon haar gedachten alsof hij ze letterlijk kon lezen. Ze hief haar hoofd op en staarde hem verwonderd aan. Even kreeg ze argwaan. Het was bijna alsof hij haar gedachten kon lezen, maar dat was natuurlijk volstrekt onmogelijk. Al zou de jongen een gave zoals die hebben, dan had ze dat allang waargenomen.
"Ground Zero?" bracht Lucy vervreemd uit terwijl ze de diepte in staarde. Om een niet te verklaren reden had ze altijd gedacht dat die zogeheten wetenschappers anoniem zouden blijven, evenals hun gezinnen. Net zoals de schaduwfiguren van Enirgon die altijd en eeuwig schuilgingen achter hun zonnebrillen en beschermende kleding omdat ze het licht waarschijnlijk niet konden verdragen. Men zei immers dat er in die centrales een energiedruk hing die normale mensen niet konden verdragen, al had zij er nooit veel hinder van ondervonden, evenmin als de man die haar kwam bevrijden. Waarschijnlijk waren mensen met grote krachtvelden immuun voor veranderingen in de energie om ze heen.

"Dus je weet van het Ground Zero project?" vroeg Leon verwonderd. Hij dempte zijn toon iets en wierp een blik op de bestuurder van het toestel, die waarschijnlijk niets gehoord had door de herrie die de schurende wind tegen het tramtoestel maakte. "Ik dacht dat de meeste mensen – "
"Julian vertelde het me" antwoordde Lucy kalm.
"Julian?" herhaalde Leon. Hij trok zijn wenkbrauw verwonderd omhoog. "En Julian is?"
"Mijn broer" verklaarde Lucy luchtig. Ze glimlachte en wierp eveneens een blik naar de chauffeur die nog altijd niet op of om keek. "Hij heeft een kennis in de stad wonen die nogal goed op de hoogte schijnt te zijn van de gebeurtenissen in de stad."
"En die wist van Ground Zero?"
Onverschillig haalde het blonde meisje haar schouders op. "Blijkbaar."
Leon bleef haar met een kinderlijk verwonderde blik aanstaren, hetgeen Lucy voor een moment deed afvragen hoe oud de jongen eigenlijk was. Hij was niet veel groter dan zij was, maar dat zei weinig. Ze was door de gebeurtenissen in Enirgon en het weinige licht in Darkai nooit echt gegroeid. Hoewel ze nu veel langer was dan toen ze een jaar geleden was vertrokken en haar lichaam eindelijk normale proporties begon aan te nemen waardoor haar hoofd niet meer zo griezelig groot leek, bleef ze nog altijd kleiner dan de meeste meisjes van haar leeftijd. Ze vermoedde dan ook dat Leon een paar jaar jonger dan hem was.

"Hoe oud ben je eigenlijk?" vroeg ze tenslotte om het onderwerp maar te veranderen. Bij nader inzien wist ze niet of het zo verstandig was te praten over de dingen die ze wist van de stad, zeker niet aangezien ze deze kennis via mensen van Neorasa had verkregen. Neorasa had, ondanks dat de bestuurders van de stad de organisatie omarmden, nu niet bepaald een goede naam. Waarschijnlijk had het te maken met de recente vernielingen die er waren aangericht in de stad, en waarvan volgens Julian gezegd werd dat die te wijten waren aan terroristische afrekeningen van Neorasa.
"Twaalf" antwoordde Leon argeloos. Hij nam de verbaasde blik van het blonde meisje waar. "Ik ben klein voor mijn leeftijd, ja" zuchtte hij. "Mijn moeder was ook nooit groot, dus waarschijnlijk zal ik ook nooit groot worden." Hij ademde een maal diep uit. "En jij?" vroeg hij tenslotte.
"Ook twaalf... denk ik" klonk het bedachtzaam.
Leon schonk haar een verwonderde blik. "Hoezo?"
Lucy schrok even van de plotselinge vraag, maar wist zich al snel weer te herstellen.
"We zijn opgegroeid als weeskinderen" antwoordde ze, zoals Julian haar altijd gezegd had te antwoorden wanneer mensen vroegen naar hun ouders of naar hun verleden. "We hadden geen ouders die onze leeftijd bij konden houden of zo."
De reactie die ze kreeg was anders dan ze verwacht had en anders dan ze gebruikelijk kreeg wanneer ze het verhaal hier in Darkai vertelde. Niet dat ze dat laatste eigenlijk zo vaak gedaan had.
"Lijkt me moeilijk voor jullie" reageerde Leon met oprecht medeleven.
Lucy haalde haar schouders op. "Het is net als bij jou" verklaarde ze luchtig. "Ik kan me mijn ouders niet eens meer herinneren, dus zo verdrietig kan ik er niet om zijn."
Het was waar. Ze kon zich inderdaad niet herinneren wie haar ouders waren. Julian had haar ooit een verkreukelde foto laten zien van twee mensen die haar ouders moesten zijn. Een man en een vrouw, beiden met lichtblond haar en blauwe ogen. Lichtheersers, zoals alle lichtheersers eruit schenen te zien, al had Lucy nog vrijwel nooit een andere lichtheerser gezien.
Ze vond Julian inderdaad wel wat op zijn vader lijken. Wanneer ze zijn gezicht zag naast het gezicht van de man op de foto, leken de twee wel bijzonder veel op elkaar. Alleen was het gezicht van Julian iets smaller en puntiger dan dat van de man. Haarzelf kon ze niet herkennen, zowel in haar vader als in haar moeder niet. Wanneer ze haar eigen spiegelbeeld zag, zag ze enkel een meisje met een groot hoofd, grote blauwe ogen en een lichaam dat in verhouding veel te klein was om dat hoofd te dragen. Groeistoornis, zo noemde Julian het. Zij vond het afschuwelijk, omdat ze wist dat het de reden was waarom mensen naar haar bleven staren. Misschien was het daarom dat ze zich wel veilig voelde in de donkere cape waarin ze zich in Darkai altijd moest hullen. Het bood niet alleen bescherming tegen de gelovigen, maar eveneens tegen de mensen die haar aanstaarden vanwege haar vreemde verschijning.

De diepduistere schacht verdween uit het zicht toen de tram de bovensteden naderde. Nog altijd wist de zon niet door het dikke, grauwe wolkendek te breken. Zelfs hier niet, in de bovensteden, waar ze zich toch bijna kilometers boven de begane grond moesten bevinden. Toch was het aangenaam licht hier. Lucy knipperde even met haar ogen en wierp een verwonderde blik naar de wereld buiten. In tegenstelling tot de plek waar zij vandaan kwam, groeiden hier zelfs planten. De bomen hadden weliswaar hun blad verloren en de vogels waren weggevlucht naar een warmer gebied tijdens deze koude winter, maar toch had dit gebied meer natuur dan Lucy de afgelopen paar maand gezien had. Ze was er dankbaar voor.
Met een abrupte beweging kwam de tram tot een halt bij een klein station. De chauffeur mompelde nors iets in de zin van dat ze beter uit konden stappen, hetgeen het tweetal dan ook maar deed. Leon wist nog de beleefdheid op te brengen de man een laatste vriendelijke keer te groeten -ook al had de man een pesthumeur- voordat hij uitstapte en de tram weer verder reed naar een volgende bestemming. Ademloos hief Lucy haar gezicht omhoog, naar de heldere hemel. De zwarte capuchon gleed van haar hoofd af en onthulde haar helderblonde haar. De aanraking met het licht voelde vreemd aan, alsof er iets in haar binnenste bewoog. Eenzelfde gevoel als ze in Enirgon had gehad, toen de energie continu in beweging was geweest, al had ze zich destijds nog niet beseft wat het allemaal inhield.
Julian had haar geleerd dat ze, als lichtheerser, haar krachten putte uit het licht van de buitenwereld en met name vanuit de zon. De grote vuurbol die altijd aan de hemel stond, was als een soort oneindige bron van energie voor hen. Maar Julian had haar ook geleerd over de gevaren. De afwezigheid van het natuurlijke zonlicht kon lichtheersers zwak en zelfs ziek maken. Ze vroeg zich af tot in hoeverre dat met haar en Julian was gebeurd in de tijd dat ze in de donkere stad hadden geleefd. Ze zag bleek, evenals Julian. En hoewel de meeste lichtheersers van nature een blanke huidskleur hadden, oogden ze alles behalve gezond.

"Lucy?" vroeg Leon terwijl hij verwonderd naar het meisje keek. Ook hij moest de onnatuurlijkheid in haar verschijning hebben waargenomen die anders, verborgen onder de zwarte mantel, grotendeels onopgemerkt bleef. Ze schrok op uit haar gedachten en wierp de jongen een verbaasde blik toe.
"Mijn huis is even verderop." En hij wees met zijn vinger in de richting van een van de nieuwbouwwijken. "Daar!"
Het was inderdaad niet al te ver lopen naar het huis van de jongen, en hij had inderdaad geen woord teveel gesproken over de goede baan van zijn vader. Ze wist hoe hard Julian in de ondersteden moest werken voor zijn centen en alles dat hij kon betalen was een miezerige, vervallen containerwoning in een wijk die zo vervallen was in criminaliteit dat er waarschijnlijk toch geen normaal mens wilde wonen. Vergeleken met Julians loon, moest deze man een fortuin verdienen om op een locatie als deze te wonen in een huis zoals dit.
Leon leek zich er volledig thuis te voelen, of in ieder geval meer op zijn gemak te zijn dan hij in die ondersteden was geweest. Met een soepel gebaar haalde hij de huissleutel uit zijn zak vandaan, stak hij deze in het slot en opende hij de deur van het enorme huis. De binnenkant van de woning was bijna nog imposanter dan de buitenkant. Hoewel de tuin goed onderhouden was, alleen een beetje kaal door het winterweer, was de binnenkant beeldschoon. Alles aan de woning straalde uit dat de man meer dan genoeg geld verdiende, maar ook dat er niet tot nauwelijks geleefd werd in de woning. Logisch ook, zo bedacht het blonde meisje zich. Met een baan in de Ground Zero centrale was de man waarschijnlijk vrijwel nooit thuis, en Leon moest op alle doordeweekse dagen naar school en spendeerde de weekenden waarschijnlijk bij vrienden of hing elders buiten het huis rond.
"Doe alsof je thuis bent" glimlachte Leon vriendelijk. Lucy probeerde het, maar kon het niet helpen nog wat onwennig de kamer rond te kijken. Ze was bang om te gaan zitten en om de meubelstukken te bevuilen die allemaal zo schoon waren dat het leek alsof ze de dag ervoor nieuw waren aangeschaft. Ondanks dat er alleen maar mannen in het huis leefden, was het er keurig schoon. Veel netter dan de woning van haar en haar broer die onderhand meer op een vuilnisbult leek dan op een gezonde plaats om te leven. Die laatste gedachte deed haar inwendig grinniken.
Leon was verdwenen, waarschijnlijk de keuken in, want Lucy hoorde een aantal glazen op het aanrecht gezet worden en de koelkast opengaan. Niet lang daarna kwam Leon terug, drukte haar een glas limonade in haar handen en gebaarde haar te gaan zitten op het bankstel, waarna hij niet lang daarna haar voorbeeld volgde. Hij leek even te moeten zoeken naar een afstandsbediening die in een lade van de tafel lag. Met een paar simpele drukken op de knop, draaide een paneel, in de muur tegenover ze, zich om en verscheen er een grote, glimmende breedbeeldtelevisie. Lucy stond met open mond te kijken naar al deze technische snufjes. Julian had altijd al gezegd dat de Darkaise mensen gek waren op allerlei technologische snufjes, maar dit soort dingen had ze nog nooit gezien.

"Verbaasd?" wist Leon met een grote grijns over zijn gezicht uit te brengen. Hij zapte de talloze kanalen over, maar wist al snel te concluderen dat er weinig boeiends op tv was en liet het ding staan op een zender die berichtte over het locale nieuws. Lucy keek er verwonderd naar. Deels omdat zij thuis geen televisie hadden –zij moesten het nieuws te weten komen via de kranten die Julian bezorgde- en deels omdat de technologie in Darkai haar sowieso verwonderde. Toen ze eerder in Darkai waren aangekomen, voordat ze naar het politiebureau waren afgevoerd, had ze nooit dit soort dingen gezien. Wellicht was het omdat ze toen in de kleine dorpjes waren.
Ze draaide haar blonde hoofd bij naar Leon en nam een slok van haar frisdrank. Echt veel wist ze niet uit te brengen. Talloze gedachten gingen door haar kleine hoofd, maar niet een ervan wist ze echt onder woorden te brengen. Toen ze eerder die ochtend kwaad uit haar huis was vertrokken, had ze geen idee dat ze nog eens in de bovensteden terecht zou komen. Natuurlijk wilde ze naar boven, naar het licht, ook al zei Julian dat het niet kon, maar voor haar was er normaal geen mogelijkheid er te komen. Ze had geen vervoersbewijs en eveneens geen geld om er een te kopen. Ergens vroeg ze zich af hoe het beneden zou zijn. Zou Julian al terug zijn van zijn werk, of van waar hij dan ook mocht zijn? Hoe kwam ze eigenlijk terug naar beneden?

Het geluid van een openschuivende deur overstemde het geluid van de zachtjes aanstaarde tv en verraste Leon schijnbaar net zo als het Lucy deed. Verwonderd draaide de jongen zich om, liet hij zich over de zijkant van de bank leunen en poogde hij om de hoek van de deur te kijken.
"Pa, ben je nu al thuis?"
Er klonk wat gestommel in de gang, maar een antwoord klonk er niet. Leon draaide zich om, sprong overeind en rende de hal in, Lucy op de bank achterlatend. Vanuit de hal klonk er een begroeting die Lucy ergens wel deed denken aan de manier waarop zij Julian begroette wanneer hij thuiskwam van een lange dag werken. Een hartelijke begroeting. Want ondanks dat Leon eerder zo kwaad over zijn vader had gesproken, was hij blij dat de man weer thuis was.
"Ik heb een gast uitgenodigd" hoorde Lucy hem vanaf de gang praten. Ze kwamen door de deur. Leon, gevolgd door een lange man die ergens wel op hem leek, maar veruit langer was dan Leon waarschijnlijk ooit zou kunnen worden. De jongen had niet gelogen toen hij vertelde dat hij zijn korte lengte van zijn moeder had geërfd, want zijn vader was een reus. Toch leek hij niet onvriendelijk. Verwonderd hief hij zijn blik op naar het blonde meisje op de bank, waarna hij deze onderzoekend bekeek vanachter de glazen van zijn vierkante bril.
"Lucy, dit is mijn vader" was Leon de eerste die de stilte verbrak. Voorzichtig, misschien zelfs ietwat angstig voor de grote man, kwam Lucy overeind van het bankstel. Haar dunne benen stonden slecht wankel op de grond en haar kleine figuur stak slechts schamper af tegen het enorme postuur van de man. Toch wist ze haar moed te verzamelen, stapte ze naar de man toe en stak ze met een beleefd gebaar haar smalle hand voor zich uit.
"Mijn naam is Lucy, aangenaam." Ze was zich bewust van het vreemde accent waarmee ze sprak, maar de man scheen het niet op te merken. Alles waar hij naar keek, was naar haar vreemde, bijna onnatuurlijke verschijning. Haar smalle postuur, bleke huid en blonde haar maakten het bijna alsof ze licht gaf in de duisternis. Ergens schuilde er een vage vlaag van herkenning in de ogen van de man.

Ook hij strekte zijn hand uit, hetgeen geheel ongebruikelijk was voor iemand die van oorsprong uit de vuurstad kwam. Blijkbaar had hij bijgeleerd in al die tijd dat hij in Darkai was verbleven.
Iets in haar waarschuwde haar, al wist ze niet wat en waarvoor. Haar ogen knepen zich ietwat samen, maar het was al te laat. Toen haar hand die van de man raakte, voelde ze een vreemde tinteling door haar lichaam gaan. Haar adem stokte, haar spieren verkrampten en binnen een oogwenk begaven haar benen het en zakte ze in elkaar. Ze wierp nog een hulpeloze blik naar boven. Naar het plafond van het dure huis, naar het gezicht van Leon en dat van de man, maar nog voordat ze het kon realiseren, ging het beeld op zwart en raakte ze verzeild in een wereld ergens tussen realiteit en dromen.

"Pap, wat doe je?" hoorde ze nog een hysterisch gillende Leon op de achtergrond. "Ze was niet gevaarlijk!"
Ze wilde nog reageren, zeggen dat het allemaal wel meeviel, maar haar lichaam weigerde nog langer naar haar bevelen te luisteren. Het duurde even voordat het besef tot haar doordrong, maar de woorden de man schrokken haar pas definitief op uit haar naďviteit.
"Ze is een voortvluchtige. Een crimineel waar Enirgon al maanden naar op zoek is."
"Maar pap – " Hij onderbrak zijn woorden even. Ze hoorde een zachte snik en voelde zijn pijn, op eenzelfde manier waarop ze de pijn van die student gevoeld had destijds. Was het toeval, slechts verbeelding, of was ze daadwerkelijk in staat emoties van andere mensen te voelen? Het gaf haar een onaangenaam gevoel dat ze tot dat soort dingen in staat zou zijn.
"Ze is niet zoals jij en ik" hoorde ze de woorden van de man tenslotte in haar gedachten wegvagen. "Ze is een elementenheerser van een andere, hogere, soort. Gevaarlijk voor mensen zoals wij."

Teleurstelling was alles dat haar gedachten vulde op een moment zoals dat, en de vraag waarom. Waarom zat Enirgon achter haar aan? Waarom bestempelden mensen een wezen zoals zij, dat nog nooit een vlieg kwaad had gedaan, automatisch als een monster? En wat betekende die gave van haar? Betekende het feit dat ze als monster bestempeld werd dat haar krachten op een lijn te zetten waren met die van elementenheersers zoals Psycho of zoals de keizer? In dat geval was het maar de vraag hoe zinvol haar reis naar de hoofdstad was. Dan had ze de hulp van de keizer niet nodig om haar doeleinden te bereiken.


Het zwart vaagde langzaam weg tot een vage grijstint en ineens stond ze daar weer, in de ondersteden van de Darkaise metropool terwijl de regen met bakken op haar zwarte paraplu neerkletterde. Even speelde een vaag gevoel van herkenning in haar gedachten. Herkenning van het scenario. Was het realiteit, of slechts een droom?
Ze was niet langer bang voor de regen of de kou die deze met zich meebracht. Niet langer bang voor een zondvloed die op Darkai neerdaalde, niet langer bang om doorweekt te raken door het water, want ze wist van het alles wat hieraan vooraf was gegaan. Onbevreesd lieten haar smalle vingers het handvat van de paraplu ontglippen, waarop het ding vrijwel ogenblikkelijk werd weggerukt door de wind die almaar door de schachten huilde. Vastberaden bleef ze staan, de hand om de rand van haar capuchon geklemd terwijl ze deze van haar hoofd aftrok en haar blonde haren door de wind liet wapperen. Heel even maar, slechts luttele seconden, totdat de regen haar haren raakte en ze zo zwaar maakten dat ze geen kans meer hadden om te wapperen.

Voor een moment richtte ze haar hoofd op naar de hemel, maar alles wat ze zag was een immense duisternis. Het was net zoals toen. De dag die volgens vele Darkaise gelovigen een nieuwe ramp zou aankondigen, ook al wist ze dat die ramp er nooit gekomen was. Tegen de muur van een immens zwart gebouw zat een jongen. Uitgeput, met donkere kringen onder zijn ogen. De mensen van de stad liepen met een boog om hem heen. Deels afschuwen, waarschijnlijk dachten ze dat hij de zoveelste minderwaardige zwerver was, verslaafd aan drugs of andersoortige medicijnen. Deels angst, want iedereen die maar een blik in zijn ogen kon werpen, wist dat hij gevaarlijk was. Toch kende Lucy geen angst voor deze zogenaamde demon. Na alles wat ze had meegemaakt, na al die mensen met kwade bedoelingen die ze was tegengekomen, waren demonen misschien nog wel het minst erge dat haar kon overkomen.
Ze schudde haar hoofd, haar blonde haar, en wierp de jongen een koele blik toe met haar blauwe ogen. Een vreemd gevoel beving haar binnenste. Een gevoel dat ze nog niet eerder had gekend in haar tot dusver zo korte bestaan buiten de centrale van Enirgon. Een kilte die zojuist in haar ziel was ontstaan.

Haat.

"Jij was het, is het niet?" was de enige kille vraag die ze over haar lippen kreeg. Hoewel ze niet luid sprak, overstemde haar koele toon van spreken de Darkaise ruis ruimschoots. Hij hief zijn hoofd op, kneep zijn ogen ietwat samen en schonk haar een niet-begrijpende, bijna wanhopige, blik.
"Ik was wat?" bracht hij schor uit. Een druppel verplaatste zich via zijn gezicht naar beneden en viel tenslotte op de grond. Nog altijd kwam het water met bakken neer op de grond.
"Degene die de duisternis naar Darkai bracht" antwoordde ze vastberaden.
Een bittere glimlach verscheen langzaam over zijn getergde gezicht. "Was het niet altijd al duister?"
Ze antwoordde niet maar staarde hem met wezenloze blik aan. Voor een moment weerspiegelden haar ogen dezelfde leegte als de zijne.
Hij sprak eveneens niet meer, maar liet zijn hoofd naar achteren glijden, tegen het koude metaal van de muur, en hief zijn moedeloze blik op naar de hemel boven hem. De wind huilde opnieuw. Hij zuchtte vermoeid.
"En sinds wanneer heb jij geleerd te haten?"

Het was alsof ze wakker schrok uit een roes. Ze slikte een maal, staarde beschaamd naar de grond en nam haar vervormde weerspiegeling na in de natgeregende vloer. Haat. Was dat was het was?



--------------------

+*¨^¨*+ [ Hope is the denial of reality ] +*¨^¨*+

~ My fiction ~
Emion - The last light II | Hoofdstuk 39 - De val van Aether Lux (deel II) [22.08.2010]
Emion - Winter memories | [Verhaal compleet]
Emion - My fight for existence | [Verhaal compleet]
Voor Elysa | [Verhaal compleet]
~ My sigs ~
Innocence | Emotionless | Other side | Fight | Creation | Winter | Asian | Lies


Go to the top of the page
 
+Quote Post
Helix
post May 16 2010, 06:47 PM
Post #455


Uchuujin


Group: Advanced members
Posts: 61
Joined: 18-March 09
Member No.: 6,652



Neeee, Lucy moet onschuldig en puur blijven! Lucy mag niet haten ;_;

Die droom-stukjes aan het begin en einde behoren echt tot het beste dat ik al van je gelezen heb. Proficiat!
Ik hoop echt dat de zon eens op volle kracht gaat schijnen in de bovensteden van Darkai en dat Lucy dan heel de stad pwnt!
O, en ik ben er nog steeds zeker van dat ze stiekem verliefd is op Sato. Nu meer dan ooit. Ik bedoel: Kom op, ze droomt constant over die jongen!
Go to the top of the page
 
+Quote Post
R1pp
post May 23 2010, 03:51 PM
Post #456


Super Member
*

Group: Advanced members
Posts: 488
Joined: 18-April 07
From: België
Member No.: 3,589



Erg interessante epi, met een onverwachtse twist op het einde. Spannend!
Ik vraag me wel af hoe Lucy zich hieruit zal redden...


--------------------
"One must not put a loaded rifle on the stage if no one is thinking of firing it."


Thx @ Mikaz ^^ (again x2)
Go to the top of the page
 
+Quote Post
Aoshi
post Jul 24 2010, 08:50 PM
Post #457


New blood


Group: Members
Posts: 2
Joined: 5-June 10
From: België
Member No.: 7,079



Eindelijk eens de tijd gehad om wat bij te lezen in My fight for existence (beetje tijdgebrek gehad omwille van vanalles en nogwat tongue.gif). Ik vind de karakteropbouw van Max echt geweldig. I also dig the psychic stuff a lot ^^


--------------------
Wait, what?
Go to the top of the page
 
+Quote Post
Mikaz
post Aug 3 2010, 02:47 PM
Post #458


2nd class Demon
**

Group: Advanced members
Posts: 1,329
Joined: 5-August 07
From: Emion ~__~
Member No.: 4,155



Bedankt voor jullie reacties allemaal. Helaas ben ik vanwege de pols met het schrijven nog niet veel verder gekomen, maar ik post toch maar eens wat. Wellicht dat het me kan inspireren smile.gif


Emion - The last light II
Hoofdstuk 39 - De val van Aether Lux (deel I)


Het was akelig rustig in de tram die Karim naar de bovensteden van de Darkaise metropool bracht. Behalve een chagrijnige, zwartharige bestuurder die hem bij het instappen amper een blik waardig had gekeurd, was er niemand in het voertuig aanwezig. Karim had kil gereageerd, zijn gratis vervoerspas voor de gehele Darkai regio –eentje die ieder Neorasa lid in zijn bezit had- laten zien en had een plek gekozen ergens in het midden, vlak bij een deur. De bestuurder was blijkbaar in een slecht humeur vandaag en de aanblik van een nette, vriendelijke toerist kon hem daar ook niet vanaf helpen. Schijnbaar irriteerde hij zich aan de van oorsprong Illuminonse elementenheerser, of had hij op een feestdag zoals die liever thuisgezeten bij vrienden en familie. Het voertuig was al opgetrokken voordat hij een zitplaats had kunnen vinden, met als gevolg dat hij bijna onderuit was gegaan. Geďrriteerd had hij omgekeken naar de man, die hem nog altijd geen blik waardig gunde, maar hij besloot al snel dat het beter was niet in discussie te gaan. Wie wist wat zoiets uit zou lokken met die Darkaise bevolking? En bovendien was vandaag niet de dag om ruzie te gaan maken.

Het eerste gedeelte van zijn reis naar Darkai was soepel verlopen. De sneeuwvelden en de storm reikten slechts tot aan het begin van de Darkai regio, waar de kleine dorpjes lagen en waar hij nog met de trein vanuit Illuminon langs was gekomen. Daarna was de sneeuw langzaamaan verdwenen, hetgeen waarschijnlijk te wijten was aan de hitte die de elektriciteitscentrales, die onder de grotere steden lagen, genereerden. Waarschijnlijk zorgden die ervoor dat de sneeuw niet bleef liggen. Niet dat de Darkaise bevolking daar problemen mee had. Gezien hun intense afschuw voor alles dat wit was, zouden ze waarschijnlijk sneeuw eveneens haten. Karim vond het wel jammer. Waar de omgeving in Illuminon zo vredig had geleken met al dat wit, en zelfs het grote zwarte gebouw van Neorasa voor een moment haar dreigende uiterlijk had verloren, was er in Darkai niets meer dan glimmend staal en zwartgeverfde gebouwen.
De eerste nacht had hij doorgebracht in een klein dorpje aan de rand van het gebied waar de duistere elementenheersers woonden. Een dorpje waar nog echt de ouderwetse huizen stonden, deels onder de grond en onder grote panelen in de lucht verborgen, en waar de bevolking het geloof nog fanatiek aanhing. De bevolking was er stug en niet gericht op toerisme, heel anders dan in Luxran waar juist iedereen hem welkom had geheten. In Darkai had men geen behoefte aan vreemdelingen en hoewel hij met zijn zwarte haar en tamelijk blanke huid toch redelijk op ze leek, werd hij toch gezien als een buitenstaander. In het midden van het dorp had een grote kerk gestaan. Het bouwwerk was het hoogste van de hele stad en waarschijnlijk de enige plek waar het zonlicht kwam, waardoor de spiegelingen van het licht in de rode ruiten van het gebouw, de stad zelfs overdag in een vreemde rode gloed hulden. Ergens deed dat uitzicht Karim denken aan Neorasa, aan de vreemde sfeer op de bovenverdiepingen, maar zelfs Neorasa had een vriendelijkere uitstraling gehad.
Eén nacht was hij er maar gebleven, daarna was hij verder gegaan richting de grootste stad in het district, de metershoge metropool die dezelfde naam droeg als het gebied zelf: Darkai. Ook daar had hij een nacht moeten doorbrengen in een klein hotelletje ergens gelegen op de gevaarlijke benedenverdiepingen. Uiteindelijk was hij vanochtend weer verder de stad in gegaan. Het middengedeelte van de wijk, of althans het gedeelte was het voormalig hoofdkwartier van Neorasa had gestaan, was hij bewust gepasseerd. Ergens brandde er ook in hem een nieuwsgierigheid over hoe het gebied er nu uitzag, of er inmiddels al was opgeruimd, of dat zelfs iets nieuws was gebouwd, maar aan de andere kant wilde hij het liever niet weten. Hij wist niet hoe hij zou reageren wanneer er op de plaats die hij altijd als thuis had gezien ineens een gloednieuw gebouw zou staan. Nee, dan gaf hij er liever de voorkeur aan om de dingen zo te houden als ze in herinneringen waren geweest. Dan leefde hij liever in het verleden waar Henri en hij nog deel hadden uitgemaakt van de groep van zes mensen die in het begin een van Neorasa's krachtige groepen met elementenstrijders. De tijden toen hij nog niet in aanraking was gekomen met de gevaarlijke mensen op het hoofdkwartier, toen het werk nog simpel was, de dagen nog eindigden met het gezellig samen drinken van een borrel en Henri nog niet op het punt stond dood te gaan aan een terminale ziekte.

Hij zuchtte, vouwde de beigekleurige envelop opnieuw open en staarde verdwaasd naar de foto van het blonde meisje op één van de identiteitsbewijzen. Dit was ze dan, Lucy Ciara, het meisje waarnaar Sato op zoek was en aan wie hij deze papieren moest overhandigen. Wie was ze eigenlijk? Ze leek onschuldig op die foto, maar net als in Sato's geval, kon dit net zo goed bedrog zijn. Hoe onschuldig had de jonge Sato immers geleken op die oude schoolfoto's, of hoe onschuldig leek hij op de foto van zijn huidige studentenbewijs? Wanneer men hem op die afbeelding zou zien, zou men ook niet verwachten dat er zo'n krachtveld achter hem schuil zou gaan. En dan had hij het nog niet eens over de persoonlijkheid van de jongen, die hij ook allerminst gezond vond eigenlijk.
Goed, hij had sinds het laatste gesprek besloten bij Neorasa te blijven, maar dat was niet omdat hij Sato nu zo'n vriendelijk figuur vond. Sato was misschien interessant, fascinerend door de manier waarop hij met zijn krachten omging en door zijn intelligentie, maar allesbehalve aardig. Dat de studenten en leraren het dan ook tot op de dag van vandaag met hem uithielden verbaasde hem eigenlijk ook wel. Maargoed, die wisten waarschijnlijk dan ook niet van hetgeen zich in de schaduwen afspeelde. Toch vroeg hij zich af was zijn connectie was met het meisje op de foto, een lichtheerser nota bene. Haatte de jongen niet alles wat met het licht in verbinding stond? Of was het meisje van eenzelfde soort als hij? Leek ze misschien onschuldiger dan ze in werkelijkheid was? Die laatste vraag bleef hem maar lastig vallen terwijl hij de afgelopen tijd met zijn krachtveld de omgeving had afgezocht naar dat van haar. Een krachtveld dat men makkelijk kon herkennen, zo zei Sato. Weer lekker onconcreet, zoals de jongen altijd was. Hij had liever een adres van een verblijfsplaats gekregen, maar zo was de zwartharige elementenheerser blijkbaar niet. Of het was natuurlijk mogelijk dat de lichtheersers geen vaste verblijfsplaats in de stad hadden, als ze alleen maar immigranten waren en ook nog eens voortvluchtigen waren van Enirgon.

De tram passeerde de schachten weer. Instinctief wendde Karim zijn blik af van het raam en keek hij naar het midden van het voertuig. Naar het plafond waar een scherm hing dat vrolijk reclameriedeltjes afspeelde voor producten die er in de stad werden gemaakt en verkocht. Niet dat het daadwerkelijk de aandacht trok van de Illuminonse elementenheerser, maar hij had zijn hoogtevrees nog altijd niet overwonnen. Het uitzicht van Neorasa's dak had hij al afschuwelijk gevonden, maar dit moest nog vele malen dieper zijn. Hij kon de misselijkheid alleen al voelen opkomen bij het denken eraan, dus besloot hij het maar niet te doen.
Plotseling was er iets dat zijn aandacht afleidde. Een vreemd, onnatuurlijk gevoel dat in hem bijna een nog grotere misselijkheid teweeg bracht dan de schachten die onder hem en het voertuig lagen. De bestuurder van het voertuig leek niets in de gaten te hebben. Hij keek nog altijd stoďcijns voor zich uit terwijl hij af en toe enkele chagrijnige woorden in zichzelf mopperde. Karim draaide zijn hoofd wat en probeerde of hij de bron kon achterhalen. Het leek op een krachtveld, maar dan eentje dat niet aanvoelde alsof het van een mens was. Het leek meer op de druk die hij in de lucht had voelen hangen toen hij het huis van Rena had genaderd of het vreemde gevoel dat men kreeg wanneer men Enirgon naderde. Instinctief wendde hij zijn blik naar boven, de bovensteden, van waaruit het licht van een grauwe wolkenlucht af en toe tussen de panelen in de lucht doorkwam en een vreemde schemerige gloed de tram in wierp. Zijn ogen knepen zich samen, de paarse gloed erin werd intenser en instinctief activeerde zijn eigen energieveld zich meer. Was dit het krachtveld waar Sato over gesproken had? Vreemd dat de trambestuurder het niet opmerkte -- hoewel in Darkai natuurlijk de meeste mensen geen elementenheersers waren dus waarschijnlijk ook geen energievelden zouden kunnen waarnemen.
Net zoals hij bij andere elementenheersers kon, probeerde Karim ook hier de bron en locatie van het energieveld te achterhalen, maar daarin faalde hij jammerlijk. Het signaal was te diffuus om een bron te kunnen achterhalen en bovendien zond het een gevaarlijke waarschuwing uit. Geen krachtveld dat paste bij een lieflijk ogend blond meisje. Het voelde eerder onheilspellend, ontwricht, zoals het energieveld van de paarsharige psychopaat. Maar toch wist Karim dat hij het niet kon zijn. De man was misschien gek en gevaarlijk, maar over zo'n krachtveld beschikte hij niet.

Hij aarzelde even, twijfelde of hij erop af moest gaan of niet, maar tenslotte hield hij zich aan de bevelen van Sato en ramde hij op de rode knop die het voertuig de bij de eerstvolgende halte tot stilstand zou brengen. De witte bovenwijken van Darkai was waar hij terechtkwam. De trambestuurder wierp hem nog een vreemde blik na toen hij met een bezweet voorhoofd en een zorgelijke uitdrukking over zijn gezicht uitstapte, maar hij schonk er verder geen aandacht aan. Het duurde maar even voordat het magneetnet zich weer activeerde, het voertuig optrok en weer wegreed.
Peinzend wendde Karim zijn blik naar de lucht, waar enkele zwarte panelen de hemel maskeerden. Het was mistroostig winterweer, tamelijk donker en koud, maar vreemd genoeg toch droog. Karim besloot dat hij hier moest zijn, in de witte wijken, dat wíst hij gewoon. Als hij gelijk had –en dat leek hem het meest waarschijnlijke- en het krachtveld dat hij voelde behoorde inderdaad toe aan het blonde meisje, moest hij in deze buurt zijn. Hij strekte zijn krachtveld uit. Naar links, naar rechts, en vond tenslotte een schijnbare route door de straten van de luxe wijk. De plattegrond in zijn gedachten leidde hem naar een onopvallend huis. Eentje dat misschien groot en wit was, maar qua buitenkant slechts weinig verschilde van de andere huizen in de buurt. Hij boog zijn hoofd een moment neer, sloot zijn ogen, ademde een maal diep in en concentreerde zich volledig op zijn krachtveld. Het was alweer lang geleden dat hij dit soort werk gedaan had, of sowieso lang geleden dat hij überhaupt gewerkt had, en hij was dan ook onzeker over het feit of hij het nog in zich had om krachtvelden aan te voelen. Hoe kon hij er zeker van zijn dat het krachtveld toebehoorde aan het meisje zonder haar ooit gezien te hebben?

Hij wist niet precies wat hem ertoe dreef de beslissing te maken, maar waarschijnlijk was het slechts gevoel. Hij ademde nog een maal diep uit, hief zijn hoofd op naar de deur en activeerde zijn energieveld lichtelijk waardoor er een vage paarse gloed over zijn ogen verscheen. Het was tijd om zijn missie te vervullen.
Met een vastberaden gelaatsuitdrukking plaatste hij zijn hand tegen de deur, waarna het slot onder invloed van zijn krachtveld als automatisch voor hem opensprong. De energiestroom die hem tegemoet kwam bij het openschuiven van de deur deed een vreemd gevoel van misselijkheid door hem heen gaan. Toch gaf hij niet op. Hij kneep zijn ogen ietwat samen, strekte het energieveld uit en liep verder het huis in. Er was een lange, lege gang, waar het erg stil was. Vanuit een kamer verderop, vermoedelijk de woonkamer, hoorde hij enkele stemmen. Mannenstemmen. Er moesten dus meer mensen in het huis zijn dan alleen al het blonde meisje - als zij er al aanwezig was, want de afwezigheid van een vrouwenstem deed hem twijfelen aan zijn eerdere waarnemingen. Het krachtveld in zijn lichaam wakkerde aan, de kaart in zijn gedachten werd aangevuld en instinctief wist hij dat hij de tweede deur links moest nemen om bij de bron van het energieveld uit te komen.

Zonder enige aarzeling opende hij de deur die de huiskamer inleidde. Zowel een volwassen man als een jongen keken hem met verbijstering aan. Schijnbaar hadden ze hem niet binnen horen komen. De man stond aan de linkerkant van de kamer, voor een raam, een telefoongesprek te voeren. Veel kon Karim er niet van opvangen maar hij wist dat een of andere hulpdienst moest zijn die hij aan de lijn had. Vermoedelijk de politie. Aan de andere kant van de kamer zat een wezenloos kijkende jongen bezorgd over het lichaam van een klein blond meisje heen gebogen dat bijna levenloos op de grond lag. Zo leek het tenminste, want het krachtveld dat haar lichaam uitstraalde vertelde Karim dat ze allesbehalve levenloos was op het moment.
Nog voordat de verbijsterde man een woord kon spreken, had Karim al oogcontact met hem gemaakt, bleef hij stokstijf staan en gleed het telefoontoestel langzaam uit zijn handen. De jongen deed niets. Hij staarde enkel wezenloos naar zijn vader die als een pudding ineenzakte en hief vervolgens zijn blik op naar de zwartharige elementenheerser die hun huis zomaar was binnengedrongen. Zijn ogen waren roodgekleurd, zijn wangen nat. Schijnbaar had hij gehuild. Zijn bijna emotieloos lijkende gezicht vertrok zich iets. Zijn mond bewoog, maar alles dat werd voortgebracht was een zachte fluistertoon.
"Wie ben je?" klonk het tenslotte schor, bijna wanhopig.
Karim antwoordde niet. Hij had het nooit gehad op kinderen, bedacht hij zich tenslotte. Volwassenen waren gemakkelijk te manipuleren. Hun ziel was al corrupt en verstoord door de zieke wereld waarin zij leefden. Kinderen waren anders. Hun ziel was nog puur, nog onschuldig, en daardoor waren ze in staat dwars door zijn illusies heen te kijken.
"Mijn naam doet er niet echt toe" antwoordde Karim tenslotte. Hij besloot zich ditmaal maar eens aan de missie te houden, te doen wat Sato hem had opgedragen. En die missie was het overhandigen van de papieren aan het kleine meisje, wat voor gevaarlijk wezen ze misschien dan ook mocht zijn. Hij strekte zijn hand uit, plaatste zijn vingertoppen tegen het hoofd van de angstige jongen en zorgde ervoor dat die in slaap viel. Tenslotte tilde hij het lichaam van het kleine meisje van de vloer, wikkelde hij haar in de zwarte mantel die ze bij zich had gehad, en legde haar op zijn rug zodat hij haar makkelijk mee zou kunnen nemen naar de ondersteden. Het huis liet hij achter precies zoals het geweest was. Wanneer de twee figuren uit hun slaap zouden ontwaken, zouden ze zich toch niets meer herinneren van alles dat er gebeurd was.

Eenmaal buiten leek er niets veranderd te zijn. Behalve de aanwezigheid van het ziekelijke krachtveld dat enkel hij leek te kunnen voelen, was er niets vreemds aan zijn omgeving. Toch voelde Karim een zekere onrust in zijn binnenste. Iets dat hij niet kon verklaren, maar dat verder ging dan simpelweg een voorgevoel.
Hij probeerde zijn onrustige ademhaling en krachtveld te kalmeren. Ademde een maal diep uit en maande zichzelf tot rust. De enige manier waarop hij dingen voor elkaar kon krijgen, was wanneer hij rustig bleef. Dat betekende dat hij zich niet moest laten afleiden door allerlei dingen die niet ter zake deden.

Een adres van het meisje had hij niet. Of de twee lichtheersers hadden geen vaste verblijfsplaats gehad, of Sato had hem het adres niet willen verschaffen omdat hij er vanuit was gegaan dat hij het meisje zo wel zou vinden. Het viel Karim op dat het broertje –de jongen die hij eveneens op een foto had gezien- er niet bij was. Hij vroeg zich af waar die zou uithangen. Gezien die twee waarschijnlijk bijna de enige lichtheersers in de metropool waren, en bovendien ook nog eens familie, had hij vermoed dat hij de twee samen zou aantreffen, maar niets bleek minder waar te zijn, helaas. Hij vroeg zich af waar de jongen was. Zou hij iets anders te doen hebben gehad op deze feestdag, of gingen ze sowieso niet altijd met elkaar om? Karim kon niets meer dan gissen. Waar hij bij andere mensen de informatie uit hun gedachten kon halen, was de geest van dit jonge meisje totaal ondoorgrondelijk, hetgeen voor hem nog maar eens benadrukte dat ze over een gigantisch krachtveld moest beschikken. Hij kende haar nog maar nauwelijks, maar nu al vond hij dat ze in bepaalde eigenschappen op Sato leek. Zouden al die klasse 1 elementenheersers dan hetzelfde zijn? En wat zou dat eigenlijk voor hem betekenen? Dat hij niet alleen van Sato te vrezen had, maar ook van dit ogenschijnlijk onschuldige meisje?
Ze lag daar zo rustig op zijn rug. Haar blauwe ogen gesloten, haar fijne gezichtje tegen de ruwe stof van zijn jas aangedrukt, bijna alsof ze gewoon sliep. Ergens vroeg hij zich af wat ze met het meisje hadden gedaan. In eerste instantie had hij gedacht dat ze haar gewoon een stel slaapmiddelen hadden gegeven, maar de mate waarin haar energieveld ontregeld was deed hem eerder vermoeden dat ze daarmee hadden zitten rommelen. Hoe dan ook, hij zou moeten wachten tot het meisje ontwaakte en weer op haar eigen benen kon staan. Daarvoor zou hij geen kant op kunnen, hoewel hij instinctief wist dat hij beter kon maken dat hij wegkwam uit die witte buitenwijken. Hij had het geheugen van de man misschien weten te wissen, maar hij had geen idee tot in hoeverre de persoon gegevens had verschaft aan eventuele diensten zoals politie, of erger zelfs, aan Enirgon zelf. Hij verwachtte niet dat het miljoenenbedrijf meteen zou uitrukken op een dag zoals deze, maar helemaal zeker was hij niet van zijn zaak. Ze zaten misschien met onderbezetting op de feestdagen, maar aan de andere kant had het bedrijf zich al meermaals gek genoeg bewezen om achter voortvluchtigen aan te gaan op momenten dat mensen dit niet verwachtten. Voorlopig kon hij beter zien dat hij wegkwam hier, al had hij eigenlijk geen idee waar hij naartoe kon gaan.

Even bleef hij aarzelend in de straten staan. Waar moest hij eigenlijk naartoe? Hij zou sowieso opvallen wanneer hij een bewusteloos meisje met zich meedroeg, maar in de ondersteden zou een klein meisje met blond haar waarschijnlijk nog meer de aandacht trekken dan in de bovensteden. Hij hief zijn blik op naar boven, naar de echte bovensteden die nog een niveau boven hem lagen en waar er geen panelen meer waren die de asgrauwe lucht aan het zicht onttrokken. In het midden van alles stond een smalle, maar enorm hoge toren, die zelfs vanaf deze afstand te zien was.
'Aether Lux', zo noemde men het bouwwerk, waarvan gezegd werd dat het zo hoog in de hemel reikte dat zelfs de wolken er geen bereik meer hadden. Een plaats, bijna onbereikbaar voor mensen, waar de lucht slechts ijl was maar waar de zon altijd scheen. Ooit was Karim er wel geweest, jaren geleden alweer, toen hijzelf nog een kind was geweest en zijn klas met een excursie had besloten naar Darkai af te reizen. De omgeving in Darkai had hem ronduit gedeprimeerd destijds, en in die zin was er niets veranderd. De duisternis deprimeerde hem vandaag de dag nog, al had het ditmaal andere redenen daarvoor, zoals de slechte herinneringen die hij onderhand aan de stad had. Het uitzicht op de toren had hem even van zijn deprimerende gedachten af kunnen helpen. Hoewel het inmiddels al meer van vijfendertig jaar in het verleden lag, kon hij zich nog altijd herinneren hoe hij zijn gezicht tegen het glas had gedrukt, had genoten van het intense zonlicht op die hoogte en met een kinderlijke verwondering over al het nietige zwart beneden had uitgekeken in de wetenschap dat dat de enorme stad was waarin hij zich eerder had bevonden.
Inmiddels was Aether Lux niet meer zo vrij toegankelijk als dat het toen, nog niet zo lang na de bouw, was geweest. De rijken in Darkai hadden wel brood gezien in die enige plek in de duistere stad waar het licht altijd scheen en waar alle immigranten zo graag naartoe wilden. De prijzen voor de tickets waren de pan uitgerezen en een retourtje naar boven was inmiddels enkel nog maar voor miljonairs te betalen. Het licht had een flink prijskaartje gekregen hier in Darkai. Zonde, vond Karim. Het uitzicht vanaf dat prachtige bouwwerk was naar zijn mening waarschijnlijk het enige bezienswaardige in die hele donkere rotstad.

Terwijl hij zo naar het hoge bouwwerk staarde en een van de liften instapte die hem naar een hoger gedeelte van de stad zou brengen, kwam hij op een idee. Het meisje op zijn rug was een lichtheerser, had Sato hem gezegd. En ook al zou de jongen het niet gezegd hebben, dan nog liet haar typerende uiterlijk weinig te raden over. Zei men niet altijd dat alle lichtheersers een zekere hoeveelheid licht nodig hadden om te kunnen overleven, min of meer net zoals duistere elementenheersers de nacht nodig hadden om weer op krachten te komen?
Waarschijnlijk had kind de afgelopen paar maanden –of hoelang ze hier dan ook al mocht zitten- weinig licht gezien in de ondersteden. Voortvluchtigen lieten hun gezicht meestal niet zien in de bovensteden waar veel politie rondliep, en de woningen in de bovensteden waren dan ook onbetaalbaar voor twee kinderen zonder geld. In de onderste gedeelten van de stad, waar de woningen waarschijnlijk wel betaalbaar waren, kwam het licht niet tot nauwelijks en was het eigenlijk altijd schemerig. Het verschil tussen dag en nacht was enkel te zien aan die paar zeldzame strepen zonlicht die zo nu en dan, op de juiste ogenblikken van de dag, een paar seconden de duisternis verstoorden. Geen omgeving waarin een lichtheerser zich graag zou bevinden, kon hij zich zo voorstellen. Waarschijnlijk zat het meisje inmiddels voor een groot deel door haar krachten heen. Te zien aan haar ziekelijk magere verschijning, haar bleke, ingevallen gezichtje en de donkere kringen onder haar ogen. Ergens kon Karim het niet helpen medelijden te voelen, zelfs ook al was ze dan misschien een monster. Zij was tenslotte ook maar een klein kind dat door iedereen werd opgejaagd en dat vastzat in een donkere stad waarin Karim zelf nog niet eens graag verbleef. En hij was niet eens een lichtheerser.

De wind waaide door zijn gitzwarte haar toen hij eindelijk op het bovenste plateau van de stad stond. Verwonderd hief hij zijn blik op naar de eindeloos lijkende lucht boven hem. Het was allang geleden dat hij hier was verbleven. Hij keek om zich heen en zag een wolkenkrabber die hem herinnerde aan het terrasje waar hij ooit had gezeten voordat hij de zoveelste voor hem betekenisloze moord had moeten plegen in de ondersteden. Hij herinnerde zich het nog maar vaag. Het enige wat hij wist is dat hij zich voor een moment verwonderd had over de schoonheid van de Darkaise vrouw die hij had ontmoet, maar haar gezicht stond hem niet meer voor de geest. Misschien maar beter ook, bedacht hij zich verbitterd. Op die manier kon hij ook geen schuldgevoelens overhouden aan het alles dat er gebeurd was. Voor hem was het immers gewoon werk. Niets meer, niets minder. Vreemd eigenlijk, wanneer hij er over nadacht. Met hetzelfde gemak waarmee hij nu een meisje wegdroeg uit de handen van mensen die haar vermoedelijk pijn wilden doen, had hij talloze mensen vermoord in de naam van een zogenaamde organisatie. Toch begon hij onderhand steeds meer moeite met zijn werk te krijgen en speelden er steeds vaker twijfels in zijn gedachten bij het uitvoeren van zijn opdrachten. Hetgeen hij op Neorasa's hoofdkwartier had gezien, had hem waarschijnlijk voorgoed veranderd. De vraag was alleen of die verandering een goede was, of een slechte.

Er stond een man bij de poort van de toren. Voorzien van een uniform en met de nodige wapens die om zijn broekriem hingen, leek hij meer op een soldaat dan op een simpele bewaker. Bewaking als deze was wel nodig op de toren, zo zij men. Als ze het idee zouden hebben vanaf die hoogte de diepte in te duiken, zouden ze daar zeker niet de eersten mee zijn, en ook zeker niet de eersten zijn die dit plan ten uitvoer brachten. Aether Lux, het hoogste punt van de stad, en vermoedelijk het hoogste punt ter wereld, had vanaf twee dagen na de opening, toen de eerste wanhopige ziel naar beneden was gesprongen, al bekend gestaan als een gewilde plek voor zelfmoordenaars. Hoewel er in Darkai genoeg plekken waren waar een wanhopige figuur naar beneden kon springen om nooit meer teruggevonden te worden, bleef het kilometershoge bouwwerk haar aantrekkingskracht hebben. Kennelijk had het vallen vanuit de hemel en het hemelse licht een symbolische betekenis gekregen voor de Darkaise mensen.
Verwonderd draaide Karim zijn hoofd mee toen het meisje op zijn rug iets leek te bewegen. Behalve dat hij zijn handen achterop zijn rug gevouwen hield om haar smalle lichaam te ondersteunen, viel het meisje bijna niet op. Ze was zo klein en licht dat ze gemakkelijk vergeten kon worden. Lucy bewoog haar hoofd wat en bracht een zacht geluid uit. Even dacht, of vreesde, Karim zelfs dat ze zou ontwaken, maar dat gebeurde niet. Ze bleef weer net zo stil liggen als voorheen.

Een ticket had Karim niet. Dat had hij ook niet nodig. Hij richtte zijn blik simpelweg op de bewaker, sprak de man zogenaamd vriendelijk aan en bracht hem met zijn krachten in een soort van trance, waarna hij hem een toegangspas afhankelijk maakte en de lift nam naar de ruimte bovenin.
Eenmaal in de glazen lift, keek hij met verbazing uit over het landschap beneden. Het was nog precies zoals hij zich kon herinneren van die keer talloze jaren geleden, toen hij er als kind had gestaan en met wijd opengesperde ogen naar buiten had gekeken. Hij kon zich van toen herinneren alleen maar zwart te hebben gezien.
De zwartgeschilderde metalen panelen van de wereld beneden werden voltrokken tot een groot zwart geheel. En terwijl ze hoger en hoger kwamen leken zelfs de wolkenkrabbers niets meer dan kleine stipjes. Af en toe weerkaatste het licht van de buitenwereld in een van de talloze ramen van de gebouwen buiten en zag hij een vreemde flikkering. Soms doorbrak een lichtgevend, gekleurd, nieuwspaneel in de binnensteden al het zwart, maar het bleef veelal duister. Hoewel hij altijd aan hoogtevrees had geleden, was deze hoogte totaal iets anders. Op deze hoogte was er geen enkel detail meer dat hij kon zien. Enkel de lucht, het gebouw waarin hij zich bevond en een eindeloze zwarte massa beneden. Het fascineerde hem. In het tempo waarmee ze de toren beklommen, duurde het slechts een paar minuten voordat ze de asgrijze wolkenlaag, die boven de stad hing, passeerden en uitkwamen op de plek waar de zon scheen en er enkel op de wolken beneden kon worden neergekeken. Karim keek er met verwondering naar. Het was dus echt waar dat men hier zelfs op de wolken neer kon kijken.
Tenslotte meldde de lift met een vriendelijke vrouwenstem dat ze waren aangekomen op de plek van bestemming: het hoogste punt in de toren. Karim hervatte zijn grip op het lichaam van het kleine meisje dat op zijn rug lag, wachtte tot de deuren zich openden en wandelde zonder enige vrees de glazen koepel in die de top van de toren markeerde. Enkel de grond bestond hier uit een ondoorzichtig materiaal, de rest was van glas gemaakt zodat de mensen goed konden uitkijken over de wereld. Dat laatste was ook het oorspronkelijke doel geweest waarvoor de toren had gediend. Men had de toren aanvankelijk gebouwd om wat meer toerisme naar Darkai te lokken, maar uiteindelijk was toerisme toch niet zo hun ding geweest, waren de Darkaise mensen zich meer gaan richten op onderzoek en wetenschap, en was de toren tenslotte opgekocht door een stel van de rijkste zakenmensen van de stad die ieder een paar miljard hadden neergeteld om de toren te kopen en te onderhouden. Het was inmiddels een plek geworden waar enkel de elite zich kon vertonen.

Door de bewolking was er weinig van de wereld beneden te zien, maar dat maakte het uitzicht er niet minder om. Voorzichtig tilde hij Lucy van zijn rug, trok hij de zwarte cape om haar lichaam weg en legde hij haar op de grond, in het licht van de zon die met al haar kracht op de toren neer scheen. Zelfs Karim vond het er aangenaam warm, opende zijn dikke winterjas, en genoot voor een moment met samengeknepen ogen van het felle licht. Ergens vond hij het jammer dat hij zijn zonnebril niet had meegenomen, maar hij had dan ook niet verwacht op de dag van het feest van het licht te belandden in de hoogste toren van Darkai.
Eenmaal op de grond gelegd, werd pas echt zichtbaar hoe kwetsbaar het kleine meisje was geweest. Hij had niet verwacht dat het menselijkerwijze mogelijk was, maar dat meisje leek nog kleiner en smaller dan Sato. Haar lichaamsverhoudingen klopten niet bepaald. Haar hoofd was wat groot in verhouding tot haar smalle lichaam. Een groeiachterstand, vermoedde Karim. Het witte zonlicht dat op het gezicht van het meisje neerstreek, deed haar ontregelde krachtveld wat kalmeren. Karim richtte zijn blik naar buiten, haalde een maal diep adem en vroeg zich af wat nu te doen. Eigenlijk kon hij niets anders dan wachten tot het kind weer bij bewustzijn zou komen, maar het was nog maar de vraag hoe lang dat zou gaan duren. Buiten dat bleef hij een onheilspellend voorgevoel houden, alsof die confrontatie met die twee Darkaise mensen nog niet de laatste ellende was geweest die hij voor zijn kiezen had gekregen. En hoewel hij het niet graag toe wilde geven, wist hij dat zijn gevoelens het meestal bij het juiste eind hadden.


--------------------

+*¨^¨*+ [ Hope is the denial of reality ] +*¨^¨*+

~ My fiction ~
Emion - The last light II | Hoofdstuk 39 - De val van Aether Lux (deel II) [22.08.2010]
Emion - Winter memories | [Verhaal compleet]
Emion - My fight for existence | [Verhaal compleet]
Voor Elysa | [Verhaal compleet]
~ My sigs ~
Innocence | Emotionless | Other side | Fight | Creation | Winter | Asian | Lies


Go to the top of the page
 
+Quote Post
Helix
post Aug 4 2010, 01:21 PM
Post #459


Uchuujin


Group: Advanced members
Posts: 61
Joined: 18-March 09
Member No.: 6,652



Awesome! Word wakker, Lucy! Word wakker en leg die kutstad in de as!

Ik vind Karims stukjes altijd zo 'stijlvol' tongue.gif.
Go to the top of the page
 
+Quote Post
R1pp
post Aug 5 2010, 09:52 PM
Post #460


Super Member
*

Group: Advanced members
Posts: 488
Joined: 18-April 07
From: België
Member No.: 3,589



Karim, de redder in nood! Het zou maar erg zijn als Lucy terug bij Enirgon zou belanden, voor alle betrokken partijen (vooral Enirgon als Max weer eens een uitbraak op poten zou moeten zetten tongue.gif)
Gezien de titel, dat het deel 1 is en het voorgevoel van Karim, vermoed ik dat de man het bij het rechte eind zal hebben. Het zal sowieso wel opvallen wanneer je een overduidelijke lichtheerser naar de toeristische trekpleister van Darkai brengt happy.gif
Fijn om nog eens wat te lezen. Verbazend hoe goed alle belangrijke plotelementen blijven plakken, zelfs na al die tijd. Een goed teken voor het verhaal en je vertelkunsten, zou ik zo denken wink.gif


--------------------
"One must not put a loaded rifle on the stage if no one is thinking of firing it."


Thx @ Mikaz ^^ (again x2)
Go to the top of the page
 
+Quote Post
Mikaz
post Aug 22 2010, 10:46 AM
Post #461


2nd class Demon
**

Group: Advanced members
Posts: 1,329
Joined: 5-August 07
From: Emion ~__~
Member No.: 4,155



En deel 2. Meer Darkai, licht, en Karim die de held uithangt biggrin.gif


Emion - The last light II
Hoofstuk 39 - De val van Aether Lux (deel II)


Langzaam vaagde het zwart uit haar gedachten weg. Het scenario van de regenachtige dag, de zondvloed in de ondersteden van Darkai, verdween en maakte langzaam maar zeker plaats voor een bijna hels licht. Haar kinderlijke gezichtje vertrok zich. Voorzichtig opende ze haar ogen iets en liet ze het wittige licht door haar wimpers schijnen. Vreemd, maar het leek wel alsof alles in haar omgeving wit was. Maar er was toch geen wit in Darkai? Laat staan dat er licht bestond in een stad zoals die. Ergens boezemde dat laatste haar een stille angst in. Was het de zoveelste droomwereld waarin ze was beland? En wat hadden de woorden van de zwartharige jongen betekend? Was het haat dat ervoor zorgde dat ze zich zo slecht voelde van binnen?
Ze knipperde met haar ogen en opende ze tenslotte om voor een paar seconden een helderwit licht over de wereld te verspreiden. Alles in haar omgeving leek wit te zijn, vervuld van een bijna onnatuurlijk wit licht dat ze in haar vage herinneringen wist te herkennen als de zon, ook al had ze die al maanden niet meer gezien. Tenslotte begon ze dingen waar te nemen, kon ze een horizon onderscheiden en zag ze hoe het silhouet van een man in een lange jas zich aftekende tegen het felle licht van de buitenwereld. Waar was ze eigenlijk en hoe was ze hier verzeild geraakt? Het laatste wat ze zich kon herinneren waren Leon en zijn vader die blijkbaar toch niet zo vriendelijk waren als ze had gedacht. Had ze nu maar naar haar gevoel geluisterd.

Voorzichtig zette ze haar handen op de vloer en duwde ze haar lichaam overeind. Ze voelde zich nog slap, maar de energie van het warme zonlicht kwam langzaam maar zeker haar lichaam binnenstromen en wakkerde haar innerlijke krachten weer aan. Het duurde niet lang voordat de witte vlekken uit haar gezichtsveld wegvaagden, het beeld duidelijker werd en ze in staat was op haar eigen benen te staan. Met verwondering keek ze op naar de gedaante die voor het raam stond. Een man, veel groter dan zijzelf was, maar bij lange na niet zo'n reus als de vader van Leon was geweest.
"Wie – wie ben je?" bracht ze tenslotte schor uit na enige stilte. Voor een moment meende ze de jongen uit haar droom te herkennen, maar toen de man voor de ruiten zich omdraaide en twee oprecht verwonderde paarse ogen op haar neerkeken, wist ze zeker dat hij het niet was. Zijn ogen waren dieprood geweest.
"Karim Alzar" antwoordde man met een zekere terughoudendheid. Hij deed geen moeite de jonge lichtheerser te naderen, maar bleef op een zekere afstand. "En jouw naam is zeker Lucy Ciara?"
"Lucy" antwoordde het meisje met klem. "Een achternaam heb ik niet."
Inwendig vroeg Karim zich af waar de achternaam die op het papiertje gedrukt stond vandaan kwam, maar vragen deed hij het niet. De gelijkenis van dit meisje met het kind op de foto deed was te duidelijk om het fout te hebben. Wellicht had Sato zelf een achternaam voor de kinderen verzonnen om op een identiteitsbewijs te zetten, evenals een geboortedatum. Voor dat soort papieren hadden ze immers allemaal informatie nodig die de meeste weeskinderen niet hadden.
"Lucy dus" bevestigde Karim. Hij wendde zijn blik af en wierp een vluchtige blik naar buiten, naar het wolkendek onder ze. "En je bent een klasse 1 lichtheerser?"
Het meisje zweeg, zette een paar wankele stappen en bleef tenslotte naast Karim staan, voor het raam.
"Ze zeggen het" bracht ze tenslotte verbazingwekkend kalm uit. De zon die in haar haren reflecteerde deed het bijna lijken alsof ze licht gaf. Haar gloeiende blauwe ogen keken met een soort van medelijden neer op de duistere wereld beneden.
"Dus je weet het zelf niet?"
Verwonderd draaide ze haar hoofd bij. Haar blonde haren waaiden als in een onzichtbare wind. Beeldschoon, maar griezelig onnatuurlijk tegelijkertijd. Voorheen had Karim misschien zijn twijfels gehad over het krachten van het meisje, maar nu niet meer. Hij voelde hoe haar energie zich aanvulde onder de invloed van het licht en hoe het krachtveld zich uitstrekte tot een macht die veel groter was dan die van menig persoon in Neorasa. Toch maakte haar energie hem niet zo misselijk diep van binnen als de krachten van Psycho dat deden. Haar energie was niet corrupt of verstoord, maar eerder puur.
"Ik heb geen verstand van elementenbeheersing" antwoordde het jonge meisje op zachte toon. Ze liet haar lichaam iets naar voren leunen en zette haar smalle handen tegen het glas. "Dat soort dingen doet mijn broer altijd." Een glimlach verscheen over haar bleke gelaat. "Al heb ik geen idee waar hij op dit moment uithangt."
"Ik evenmin" bevestigde Karim haar vermoedens. Opnieuw hief ze verwonderd haar hoofd naar hem op.
"En jij?" vroeg ze tenslotte na een korte stilte. "Jij bent van Neorasa, is het niet?"
"J – Ja" stamelde Karim overrompeld. "Hoe weet je – "
"Ik ben in staat je energie aan te voelen" onderbrak Lucy hem. "De jouwe is puur, niet kwaadaardig, maar vol met twijfels."
"Twijfels?" herhaalde Karim niet-begrijpend.
"Twijfels over je doelen, je werk, je afkomst en over wie je vrienden zijn" antwoordde het meisje opnieuw. Ze sloeg haar ogen een moment neer. Karim was te verbijsterd om een woord uit te brengen. Dit meisje verwoordde in een enkele zin wat hij al die tijd gevoeld had, maar waarschijnlijk nooit zo eenvoudig onder woorden kon brengen. Ze leek slechts een kind, maar haar woorden deden eerder vermoeden dat ze een eeuwenoude ziel was, gevangen in een kinderlichaam.

"Wie of wat ben jij voor iets?" vroeg Karim tenslotte na een korte stilte. Ze was fascinerend, maar angstaanjagend tegelijkertijd. "En hoe weet je dat allemaal?"
"Hoe ik het weet?" Ze haalde haar schouders op. "Gewoon. Ze zeggen dat ik in staat ben om door mensen hun ziel heen te kijken. Ik weet niet of dat waar is, maar ik kan emoties waarnemen van mensen en zien wat ze in gedachten bezighoudt." Ze kneep haar ogen samen, liet haar gezicht tegen het koele glas van de ruit aan glijden en genoot van het licht van de zon. "Het is lang geleden dat ik de zon heb gezien" verklaarde ze luchtig, toen ze bemerkte dat het zwartharige Neorasa lid haar met vreemde blik aanstaarde.
"Zoiets vermoedde ik al" mompelde Karim, al bleef hij het meisje vreemd aanstaren. Niet eens zozeer vanwege haar opmerkelijke gedrag, maar eerder vanwege de gloed die er in haar nabijheid leek te ontstaan. Bijna alsof ze licht gaf.
"Zou je me kunnen vertellen hoe ik hier terechtgekomen ben?" vroeg ze tenslotte. Ze draaide haar smalle hoofd weg van het glas en wierp de elementenheerser een vragende blik toe met haar helderblauwe ogen. "Het laatste dat ik me kan herinneren was het huis van Leon."
"Leon?"
"Een vriend, die hier in de stad woonde."
"De jongen waar ik je bewusteloos in huis vond?" bracht Karim verwonderd uit. Hij bemerkte hoe het meisje hem een vreemde blik schonk. "Lekkere vrienden heb jij! Ze wilden je uitleveren aan de politie om de beloning op je hoofd te vangen."
"Politie?" herhaalde ze somber. De gloed in haar ogen verdween voor een moment.
"Hij telefoneerde met de hulpdiensten" verklaarde Karim koel. "Waarschijnlijk wilden ze je uitleveren. De beloning die op je hoofd staat lijkt me het meest voor de hand liggende motief daarvoor."
"Beloning?" Ze zweeg voor een moment, boog haar hoofd en leek na te denken. "Hoe hoog is die inmiddels?"
"Bijna een miljoen. Genoeg geld voor een mens met een middenklasse inkomen om je te willen oppakken, zeker in Darkai waar ze toch al alles doen voor geld."
"En voor jou?" vroeg Lucy. Ze keek Karim zo recht in zijn ogen dat hij bijna geen antwoord meer durfde te geven. "Was bijna een miljoen voor jou niet genoeg reden me uit te leveren aan de politie?"
"Vergelijk me niet met die mensen" snoof Karim minachtend. Hij begon het inmiddels zo warm te krijgen dat hij zijn winterjas uittrok, hem opvouwde en over zijn schouder hing. "Ik ben niet zo materialistisch ingesteld. Buiten dat, heb ik opdrachten te volgen."
"Opdrachten?" herhaalde ze verwonderd. "Van Neorasa?"
"Inderdaad" bevestigde Karim zonder enige omhaal. "Buiten dat heb ik geen enkele ambitie om samen te werken met Steven Kenshinton of wie dan ook van Enirgon. Mijns inzicht zijn het niet meer dan een stel machtswellustelingen."
Lucy antwoordde niet, maar keek hem met verwonderde blik aan.
"Dus je wilt me niet terugbrengen naar Enirgon?" bracht ze tenslotte vertwijfeld uit.
"Mijn baas zou me vermoorden als ik dat deed."
"Je baas?"
"Iemand die liever niet bij naam genoemd wil worden."
"Oké" antwoordde ze timide. "Maar hij wist dat ik Leon zou ontmoeten, of in de problemen zou raken?"
"Nee," Karim schudde zijn hoofd, "Of misschien ook wel." Bracht hij tenslotte uit met en zucht. Hij zag Sato er uiteindelijk wel voor aan dit alles allang gepland te hebben. Er gingen immers zelfs geruchten dat de jongen in de toekomst kon kijken. Hoeveel waarde hij daaraan moest hechten, wist hij niet, maar het niet opgeven van een verblijfsplaats was uiteindelijk wel erg toevallig geweest. Wanneer Sato hem wel een adres had gegeven, had hij zijn gevoelsveld nooit gebruikt. Dan was hij waarschijnlijk rechtstreeks naar die plaats gegaan en de twee lichtheersers misgelopen.

Lucy wendde haar blik weer af naar het raam en staarde naar buiten. Het grauwe wolkendek strekte zich kilometersver uit, tot aan het einde van de Darkaise metropool. Toch leek het niet grauw. Vanaf de bovenkant, vanwaar de zon erop neerscheen, leken de wolken net zachte, witte donskussens. Af en toe werden de wolken eens doorbroken en was er een klein beetje van de duistere benedenwereld zichtbaar. Duister, want alles wat er te zien was, was een immense lading zwart.
Zo neerkijkend op het alles, vroeg Karim zich af hoe mensen in een stad zoals deze konden leven, waar het licht vrijwel nooit kwam. In Lucy's hoofd gingen blijkbaar ook de nodige gedachten om, gezien de zorgelijke blik waarmee het jonge meisje naar beneden keek. Een blik die helemaal niet paste bij een meisje van haar leeftijd, wanneer men er objectief naar keek, maar Karim wist inmiddels al dat ze iets onnatuurlijks over zich had. Wanneer hij haar zo zag staan, haar wijze blik op de wereld beneden gericht, zou hij zweren dat ze net zo oud en wijs als Rena had geleken. Ze miste alleen de bitterheid in haar woorden.


Tenslotte stopte ze met staren naar de wereld beneden, wendde ze haar blik resoluut af van alle ellende en richtte ze zich op naar de hemel en de zonnestralen. Even leek de wereld zowel binnen als buiten de koepel een volmaakte rust uit te stralen. Voor een moment maar, totdat de zwarte stippen aan de horizon dichterbij kwamen.
"Luchtschepen" bracht Karim verbijsterd uit. "Maar..." Nog voor hij een woord kon uitbrengen vloog er een raket rakelings langs het glas van de toren. Ergens verderop de grond sloeg het voorwerp in. De wolken werd bruut weggeslagen door de explosie aan de oppervlakte.
"Enirgon" bracht Lucy kil uit. Er weerklonk geen enkele paniek in haar woorden, alsof ze het allemaal al had zien aankomen. Haar kinderlijke gezichtje vertrok zich tot iets emotieloos. Karim had geen zin het langer aan te kijken. Hij trok zijn jas overhoop en zocht wanhopig naar de toegangspas die hij eerder de bewaker afhandig had gemaakt. Ze moesten de toren verlaten, zo snel mogelijk naar de begane grond terugkeren. Maar waar was dat pasje gebleven wanneer je het nodig had?
Vanuit zijn ooghoeken zag hij hoe een tweede projectiel de toren naderde. Zonder ook maar een moment na te denken, duwde hij het kleine meisje voor het glazen raam weg. Het volgende moment sloeg de bom in, werd het glas in de toren grotendeels verbrijzeld en werden zowel Karim als Lucy naar de andere kant van de toren geknald.

Het duurde even voordat de ergste rook weggetrokken was en Karim weer bij zijn zinnen kwam. Vermoeid nam hij zijn omgeving in zich op. In de glazen koepel was een groot gat geslagen. De ruimte hing nog vol met een vreemde mist. De vloer lag bezaaid met dikke glassplinters en andersoortig puin. De warme lucht die door de airco werd aangevoerd, werd in een razend tempo uit de toren getrokken en terwijl die langzaamaan door koude vrieslucht vervangen werd, daalde de temperatuur drastisch. Het pasje was nog altijd onvindbaar, maar dat liet hij voorlopig maar zo. In de verte, tegen de lift in het midden van de koepel gesmeten, lag Lucy. Van haar eerdere glorie leek niets meer behouden te zijn. Zo onnatuurlijk of zelfs machtig als ze eerder geleken had, zo gewoontjes leek ze nu. Haar kleding was besmeurd, haar blonde haar lag over de grond verspreidt.

Voorzichtig trok Karim zichzelf overeind. Pas bij het opstaan bemerkte hij dat hij geraakt moest zijn. Hij wendde zijn blik af naar zijn zij en zag een aantal glassplinters uit een bloedende wond steken. Even kromp hij ineen van de pijn, maar al snel zette hij zijn tanden op elkaar en bewoog hij zich half kruipend naar het meisje dat op de grond lag.
"Lucy..." mompelde hij schor. Het was vreemd, hoe hij in een situatie als deze alleen maar kon denken aan het leven van het meisje. Hoe hij zijn eigen verwondingen kon negeren, maar zich enkel bekommerde om een meisje dat een half uur geleden nog een volslagen vreemde voor hem was geweest. Zou Henri zich ook zo gevoeld hebben toen hij op sterven lag, vroeg hij zich af? Maar al snel zette hij die gedachte weer uit zijn hoofd. Hij zou niet sterven, dat kon simpelweg niet! Als Sato het alles al vanaf het begin had voorzien –en daar geloofde hij op dit moment maar in- kon hij gewoon niet sterven tijdens de missie.

Moeizaam wist hij dichterbij te kruipen. Hij boog zich over het meisje heen, plaatste zijn vingers op haar hoofd en activeerde zijn energieveld lichtelijk. Als door een wonder, schrok het meisje wakker. Heel even schonk ze hem een vreemde blik, maar al snel kwam ze weer bij zinnen, nam ze de omgeving in zich op en richtte ze zich op de kant waar het gat in de koepel zat. Zonder enige moeite wist ze op te staan.
Haar blonde haren en veel te wijde shirt wapperden in de kille wind. Haar ogen gloeiden en ook al had de zon voor een moment geen bereik door de rook, toch voelde Karim duidelijk de overweldigende energie die er om haar lichaam heen hing. Ze sprak geen woord, maar richtte zich enkel op de vliegende voertuigen die buiten het gebouw hingen. Karim had gelijk gehad. Ze waren inderdaad van Enirgon, te zien aan de zilvergrijze strepen die over de voertuigen liepen en het logo dat quasi-subtiel op de zijkanten van het voertuig pronkte. Lucy's handen balden zich tot vuisten. Haar blauwe ogen knepen zich samen tot dunne spleetjes. In een fractie van een seconde zag Karim de gelijkenis. Hoewel ze eerder volstrekt onschuldig had geleken, niet meer dan een klein, bang meisje in de grote stad, had ze nu eenzelfde griezelige gloed in haar ogen als Sato. Instinctief strekte het jonge lichtheersertje haar hand voor zich uit. Haar smalle, bleke vingers spreidden zich en werden voorzien van een vreemde witte gloed.
Karim slikte, klemde zijn hand tegen de zijkant van zijn lichaam en probeerde overeind te krabbelen. Als ze dezelfde krachten had als Sato, was de schade die veroorzaakt zou worden niet te voorspellen. Hij had Sato nog nooit zijn krachten zien gebruiken op die manier, maar vermoedde dat een explosie gegenereerd door zijn volledige aura genoeg kracht met zich meedroeg om een complete stad in puin te leggen. En als deze Lucy een elementenheersers van zijn soort was, zouden haar aanvallen daar nauwelijks voor onder doen.
"Lucy, wacht!" poogde hij te schreeuwen, maar alles dat zijn keel verliet was een schor geluid dat ruimschoots overstemd werd door het huilen van de wind door het gat. Toch leek ze hem gehoord te hebben. Langzaam draaide ze haar gezichtje bij. De kille blik van haar helderblauwe ogen boorde zich in de zijne. Een vreemde glimlach verscheen over haar lippen.
"Waarom?"
Karim huiverde bij haar aanblik. "Omdat," Een nieuwe pijnsteek deed hem in elkaar krimpen. Hij vervloekte zijn zwakke lichaam diep van binnen. "Omdat je waarschijnlijk de hele stad in puin legt wanneer je aanvalt" hervatte hij zijn woorden uiteindelijk.
Onverschillig haalde ze haar schouders op. "Nou en?"
"Mensen gaan dóód, Lucy!"
Het was alsof ze plotseling wakker schrok uit een roes. Als door een donderslag geraakt keerde de helderheid terug in haar ogen. Een rilling liep over haar rug. Voorzichtig trok ze haar hand terug.
"Ik had beloofd niet te haten" mompelde ze in zichzelf. "Ik had het beloofd.... beloofd..." Haar stem trilde, evenals haar lichaam. Vermoeid liet ze zichzelf op haar knieën zakken, sloeg ze haar handen om haar hoofd heen en bleef ze zitten, terwijl ze almaar dezelfde woorden bleef herhalen.

Met veel meer moed dan hij daadwerkelijk voelde, trad Karim naar voren en klemde hij zijn handen om het magere kinderlichaampje.
"Maak je geen zorgen" probeerde hij haar gerust te stellen. "We komen hier wel uit."
Hij zei het wel, maar meende slechts bitter weinig van die woorden. Enirgon was er klaarblijkelijk op uit om het meisje niet alleen te vangen, maar zelfs te doden. Misschien werd ze inmiddels te gevaarlijk geacht om nog terug te keren naar de centrale, of misschien wilden ze wel gewoon van haar af. Wat voor onderhandelingen zouden er mogelijk zijn met mensen in gevechtsvliegtuigen die waarschijnlijk tot op de tand toe bewapend waren met aurablokkerende middelen? Zouden dat soort figuren überhaupt met een nietsbetekenend Neorasa lid in discussie willen gaan?

Nog voordat hij de kans kreeg ook maar iets van een plan te bedenken, werd hij al in de rede gevallen door iets anders. Een misselijkmakend krachtveld borrelde op naar de oppervlakte van de Darkaise metropool. Een vreemd sissend geluid weerklonk vanuit de diepte, bijna als een soort van waarschuwing. De rook werd weggevaagd als door een onnatuurlijke oorzaak. Het volgende moment doorkliefde een hels licht de complete hemel boven Darkai. Alsof de duistere dame persoonlijk vanuit de hemel toesloeg, werden de luchtschepen van Enirgon in een simpele beweging en door een enkel krachtveld weggevaagd.
De energie was zo krachtig dat horen en zien voor een moment compleet verloren gingen. Alles ging op in een immens helder, wit licht dat zich tenslotte tot een geruisloze explosie bracht en daarmee vermoedelijk de hele metropool op haar grondvesten deed schudden. De wind die de naschok van het energieveld met zich meebracht was zo krachtig dat Lucy en Karim de wand van de liftschacht stevig moesten vasthouden om niet compleet weggeblazen te worden. Pas toen ze voor het eerst weer konden zien, zagen ze het vallende luchtschip dat zich met een noodvaart in de koepel boorde en al het glas versplinterde. Haastig pakte Karim het kleine meisje vast en dook hij weg, haar beschermend tegen het naar beneden denderende glas.


Hoe lang hij buiten bewustzijn was geweest, wist hij niet. Hij werd wakker van een zachte, bezorgde kinderstem die almaar zijn naam bleef roepen en twee kleine handen die aan zijn lichaam bleven schudden om hem wakker te maken. Hij wilde eigenlijk helemaal niet wakker worden. Zijn lichaam deed pijn aan alle kanten en eigenlijk voelde het zonlicht dat op hem neerscheen wel aangenaam warm. Toch besloot hij uiteindelijk zijn vermoeide ogen te openen en de ravage te aanschouwen.
Hij knipperde een paar keer met zijn ogen tegen het felle licht en keek tenslotte in het onschuldig ogende gezichtje van het jonge meisje. De rook in de koepel was verdwenen, evenals de koepel zelf. Slechts een paar meters van hem verwijderd hing een zwart uitgeblakerd luchtschip op iets wat ooit een deel van de toren was geweest. De liftschacht was compleet verwrongen door de druk. Het gedeelte waar Lucy en hij zaten was redelijk gespaard gebleven, en hij besefte zich dan ook dat hij ontzettend veel geluk moest hebben gehad.
Moeizaam trok hij zichzelf overeind. De wond aan zijn zij was heviger beginnen te bloeden en delen van zijn lichaam zaten vol met glassplinters. Waarschijnlijk zou hij heel wat uurtjes bij de huisarts moeten zitten voordat die met een pincet alle splinters uit zijn lichaam had verwijderd, bedacht hij zich cynisch. Dat was wanneer ze hier weg konden komen, tenminste, want echt bruikbaar zag de lift er niet meer uit. Zijn hand omklemde een metalen balk die waarschijnlijk ooit een fundamentele functie had gehad in de zo goed als compleet vernielde toren. Hij trok zichzelf overeind, haalde met moeite wat zuurstof uit de ijle lucht naar binnen en wierp een blik naar beneden. De grauwe bewolking was compleet weggeblazen door de explosie en het zwart daaronder was meer dan duidelijk zichtbaar. Ergens in de verte had zich een grote rookwolk gevormd en brandde een vuur. Vermoedelijk de plek waar de eerste raket van Enirgon was ingeslagen.

"We gaan naar beneden, Lucy" bracht Karim met een ziekelijke zucht uit. Hij barstte uit in een hoestbui en merkte dat hij ook bloed ophoestte. Hij moest naar een ziekenhuis zien te komen, en snel. Lucy stond doodstil op de rand van het plateau. De wind speelde met haar blonde haren terwijl ze met een wezenloze blik naar de ravage beneden staarde.
"Hoe?" klonk het tenslotte wanhopig.
"Ik gebruik mijn krachtveld om voorzichtig naar beneden af te dalen" antwoordde Karim. Hij klemde zijn kaken op elkaar bij een nieuwe pijnsteek. Hij hoopte maar dat hij zijn krachtveld kon gebruiken wanneer hij zo verzwakt was, tenminste. Een andere manier om veilig naar beneden te komen zag hij niet, en de toren stond vermoedelijk op instorten dus wachten op de hulpdiensten zou geen mogelijkheid zijn. Sowieso vermoedde hij niet dat er hulpdiensten zouden komen. Alsof die ervan uit zouden gaan dat er nog levende mensen aanwezig waren bovenin een bijna compleet vernietigd bouwwerk.
"Maar je bent gewond" protesteerde Lucy. "Je lichaam zit vol met glas."
"Maakt niet uit" loog Karim. Zijn ogen knepen zich samen tot spleetjes. "Ik red het wel." Opnieuw hoestte hij bloed op. "Kom hier, dan kan ik je mee naar beneden nemen."
Met moeite tilde hij het kleine meisje in zijn armen en keek hij over de rand van het plateau, de diepte in. Hij slikte. Eventjes voelde hij de oude misselijkheid weer terugkomen. Die verdraaide hoogtevrees ook altijd! Maar het volgende moment sloot hij zijn ogen, activeerde hij hetgeen hij nog over had van zijn energieveld en hoopte hij dat hij veilig zou landen.


Het duurde een aantal minuten, maar tenslotte voelde hij de grond weer onder zijn voeten, opende hij zijn ogen en besefte hij zich dat hij aan het drama ontsnapt was. Opgelucht liet hij zijn energieveld verdwijnen, zette hij het kleine meisje op de grond neer en leunde hij tegen een koude muur van het dichtstbijzijnde gebouw. Lucy, die een stuk kleiner dan hem was, keek met een zorgelijke blik naar hem op.
"Je moet naar het ziekenhuis" reageerde ze.
Karim knikte zwijgend. "Ik ga naar het ziekenhuis, ja" antwoordde hij met een piepende zucht. "Jij moet terugkeren naar je broer." Hij zag haar bezwaarde blik. "De politie zal hier snel genoeg komen. Ik wil niet dat ze je alsnog arresteren."
"Oké" antwoordde ze timide, ook al was aan haar gezicht te zien dat ze het er totaal niet mee eens was.
"Voordat je gaat," wist Karim met een laatste zucht uit te brengen, "Wil ik dat je dit met je meeneemt." Hij graaide in zijn broekzak, trok de beige envelop tevoorschijn en gaf die aan het blonde meisje.
"Wat is het?" vroeg ze bezorgd.
"Papieren" antwoordde Karim bijna fluisterend. "Voor jou en je broer, afkomstig vanuit Neorasa." Een nieuwe pijnsteek deed hem ineenkrimpen. Sirenes waren al op de achtergrond hoorbaar. Zowel die van de plek bij de inslag als die van de voertuigen die in de richting van de toren kwamen rijden.
"Kom op!" drong Karim aan. "Pak die envelop aan en vlucht de ondersteden in, waar de politie je niet kan vinden."
"Maar jij dan?" vroeg ze verdrietig.
"Maak je geen zorgen om me." Een cynische glimlach krulde de lippen van de verslagen elementenheerser. "Ik ben een volwaardig Neorasa lid. Ik ben er min of meer aan gewend me te redden in dit soort situaties. En maak nu dat je weg komt!"
Lucy aarzelde nog heel even, maar stopte tenslotte de envelop weg onder haar shirt, wierp Karim nog een laatste bezorgde blik toe en rende tenslotte richting de trappen die haar naar de benedenverdiepingen zouden brengen.

Met een zucht van opluchting liet Karim zich tegen de koele metalen muur aan zakken. De glassplinters in zijn rug boorden zich verder in zijn lichaam, maar hij voelde ze inmiddels al niet meer door de pijn van de wond aan zijn zij. Het deed pijn, maar hij was niet in de veronderstelling dood te gaan. Er zou wel meer voor nodig zijn om een elementenheerser zoals hij van het leven te beroven.
Vermoeid liet hij zijn hoofd tegen het koude metaal aan zakken en wendde hij zijn blik naar de restanten van de Aether Lux, zich bedenkend dat het bouwwerk dat ruim vijftig jaar Darkaise geschiedenis herborg, in een simpele middag in rook op was gegaan. Gezien de beschadigingen, zou het waarschijnlijk compleet tegen de vlakte worden geworpen, en dan was het nog maar de vraag of er ooit een nieuwe toren zou komen. Misschien was Darkai gewoon niet voorbestemd om het licht te zien. Misschien moest de stad wel altijd duister blijven, als een vreemd soort lotbestemming.

Hij grinnikte, maar zijn gezicht vertrok zich al snel weer door de pijn. Was dat de ware kracht geweest van Sato die hij vanmiddag aanschouwd had? Had de jongen vanachter de schermen meegewerkt aan de hele operatie, en was het compleet wegvagen van Enirgons mensen zijn werk geweest? In dat geval was Sato nog een groter monster dan hij voor mogelijk had gehouden. Geen wonder dat de mensheid bang was voor zoiets als hij. Iets met zo'n krachtveld viel niet eens meer menselijk te noemen.
Sirenes naderden langzaamaan de plek waar hij lag. Karims hoofd bonkte. De talloze glassplinters prikten in zijn lichaam en het beeld draaide voor zijn ogen. Vaag proefde hij de zoutige smaak van bloed in zijn mond toen hij zijn lippen bevochtigde. Waarschijnlijk zag hij er afschuwelijk uit, maar voor eens in zijn leven interesseerde hem dat niets. Hij hoopte maar dat de ambulancebroeders hem zouden vinden en mee zouden nemen, want zelf naar het ziekenhuis lopen zou hem niet meer lukken.

Een vrolijk wijsje doorbrak het huilen van de wind en het loeien van de sirenes voor een moment. Veel te vrolijk voor een bijna apocalyptische setting zoals deze. Het duurde even voordat hij zich realiseerde dat het zijn telefoon was die afging. Ergens verbaasde het hem dat het toestel nog werkte, maar aan de andere kant wist hij dat wanneer de toestelletjes robuust genoeg waren om met krachtvelden om te gaan, dat ze waarschijnlijk ook wel schokbestendig zouden zijn.
Met enige moeite wist hij het ding uit zijn broekzak tevoorschijn te peuteren. Het verlichte display gaf geen nummer aan. Neorasa's hoofdkwartier, waarschijnlijk. Hij vroeg zich af wat die van hem moesten op een moment zoals dit, maar nam tenslotte toch maar op.
"Karim Alzar" bracht hij bijna fluisterend uit. Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. Karim sloot zijn ogen, genoot van de koelte die het metaal hem gaf en staarde hoopvol naar boven. De explosie had de grauwe wolkenlucht geheel weggevaagd, met als gevolg dat de zon recht op hem neerscheen. Als hij niet zo gewond was geweest, had hij waarschijnlijk zelfs genoten van de aangename verandering in het weer.
"Sato Memoru hier" klonk een kille stem aan de andere kant van de lijn.
"Ah, Sato" Karim glimlachte. "Ik vermoedde al dat je in Darkai zat."
"In Darkai?" herhaalde de stem aan de lijn verwonderd. Er volgde een korte stilte. "Hoe bedoel je? Ik wilde je net vragen hoe de zaken ervoor stonden. Er is een verstoring in de energie opgetreden die – "
"Waar zit je?" onderbrak Karim hem.
"De academie in Illuminon, zoals gebruikelijk."
Een vreemde rilling liep over Karims rug terwijl hij opnieuw naar het metalen skelet van de toren staarde en de zaken tot zich door liet dringen. Een vreemd, onheilspellend gevoel bekroop hem.
"Dus jij was het niet die in Darkai Enirgons complete troepen wegvaagde?"


--------------------

+*¨^¨*+ [ Hope is the denial of reality ] +*¨^¨*+

~ My fiction ~
Emion - The last light II | Hoofdstuk 39 - De val van Aether Lux (deel II) [22.08.2010]
Emion - Winter memories | [Verhaal compleet]
Emion - My fight for existence | [Verhaal compleet]
Voor Elysa | [Verhaal compleet]
~ My sigs ~
Innocence | Emotionless | Other side | Fight | Creation | Winter | Asian | Lies


Go to the top of the page
 
+Quote Post
Helix
post Aug 25 2010, 11:01 AM
Post #462


Uchuujin


Group: Advanced members
Posts: 61
Joined: 18-March 09
Member No.: 6,652



Sato liegt! Natuurlijk zit hij wel achter die aanval!
Zeer spectaculaire aflevering. Er gebeurde heel wat en dat vind ik altijd leuk. Boem, knal, flash! Nightmares and explosions, daar leeft een mens voor!
Ik ben wel benieuwd hoe de vork nu eigenlijk in de steel zit, want je hebt behoorlijk wat vragen opgeroepen ^^
Go to the top of the page
 
+Quote Post
R1pp
post Aug 26 2010, 03:52 PM
Post #463


Super Member
*

Group: Advanced members
Posts: 488
Joined: 18-April 07
From: België
Member No.: 3,589



Wel, Sato heeft al eens een afstandsschot gelost, dus het zou niet onmogelijk zijn dat hij liegt (al helemaal niet als je rekening houdt met het feit dat hij bijna uit gewoonte liegt tongue.gif). Het was hoe dan ook een goed hoofdstuk, veel spanning en actie en een einde dat meer vragen oproept dan het beantwoordt biggrin.gif


--------------------
"One must not put a loaded rifle on the stage if no one is thinking of firing it."


Thx @ Mikaz ^^ (again x2)
Go to the top of the page
 
+Quote Post

31 Pages V  « < 29 30 31
Reply to this topicStart new topic
1 User(s) are reading this topic (1 Guests and 0 Anonymous Users)
0 Members:

 



Lo-Fi Version Time is now: 10th September 2010 - 11:51 PM
DBZ-Media.nl   DBZ-Media.nl & AnimeCorner.nl
Debt Help | Wordpress Theme | Sxsy Lady Celebrity Fashion | House Insurance | Breast Enlargement